Eiseres vroeg een omgevingsvergunning aan voor de bouw van een distributiecentrum en kreeg een aanslag leges opgelegd door verweerder, gebaseerd op bouwkosten die hoger waren dan door eiseres opgegeven. De aanslag werd in bezwaar verminderd, maar eiseres ging in beroep tegen de hoogte van de aanslag en de geldigheid van de Verordening leges omgevingsvergunning.
De kern van het geschil betrof de kenbaarheid van de NEN 2580-norm, die essentieel is voor de berekening van de heffingsmaatstaf. De rechtbank oordeelde dat de Verordening onverbindend is omdat deze norm niet was gepubliceerd of ter inzage gelegd, terwijl dit volgens de Gemeentewet en jurisprudentie van de Hoge Raad wel vereist is.
De rechtbank stelde vast dat de NEN 2699-norm, die wel ter inzage lag, verwijst naar de NEN 2580 als onmisbaar voor de toepassing, waardoor de NEN 2580 als essentialium voor de heffingsmaatstaf moet worden beschouwd. Omdat niet aan het kenbaarheidsvereiste was voldaan, werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit en de aanslag vernietigd, en verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.