De werknemer werkte van 2012 tot 2017 bij de werkgever zonder concurrentiebeding. Na opzegging werkte hij vanaf 2018 bij een ander bedrijf met een concurrentiebeding. Dit bedrijf werd in 2024 overgenomen door zijn oude werkgever, waardoor het concurrentiebeding op hem overging.
De werknemer wil zijn dienstverband beëindigen en bij een concurrent gaan werken, maar wordt door het concurrentiebeding beperkt. Hij vordert schorsing van het beding in kort geding. De kantonrechter oordeelt dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is, maar dat de werknemer door bijzondere omstandigheden onbillijk wordt benadeeld.
De onbillijke benadeling volgt uit het feit dat de werknemer het beding pas na de overgang van onderneming is aangegaan, terwijl hij eerder zonder beding bij dezelfde werkgever werkte en destijds niet kon voorzien dat de arbeidsrelatie zo zou veranderen. Ook is hij tegen zijn wil in in een positie gebracht waarin hij zijn werkzaamheden niet meer kon uitvoeren.
Daarom wordt het concurrentiebeding geschorst zodat de werknemer direct bij de concurrent mag werken. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.