Eisers en gedaagden sloten op 27 maart 2024 een koopovereenkomst voor een woning met een koopsom van €190.000, inclusief een waarborgsom van €19.000 die uiterlijk 3 april 2024 betaald moest worden. Gedaagden voldeden niet aan deze verplichting, ondanks ingebrekestelling en sommatie, waarna eisers de overeenkomst ontbonden en betaling van de boete vorderden.
Gedaagde 2 stelde dat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en de inhoud van de overeenkomst, met name het ontbreken van een financieringsvoorbehoud, niet begreep, en beriep zich op dwaling. De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst terecht was ontbonden en dat vernietiging wegens dwaling niet mogelijk was omdat de overeenkomst niet meer bestond. Tevens werd geoordeeld dat de makelaar de inhoud van de overeenkomst voldoende had toegelicht.
De kantonrechter wees het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid af, evenals het verzoek tot matiging van de boete. De boete van 10% van de koopsom is gebruikelijk en de schade van eisers is voldoende onderbouwd. Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de boete met rente, maar niet tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten werden eveneens aan gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, met afspraken over opschorting van tenuitvoerlegging jegens gedaagde 2 in verband met een nog te starten procedure tegen gedaagde 1.