Art. 1:441 BWArt. 24 lid 1 WzdArt. 25 lid 3 WzdArt. 26 lid 1 WzdArt. 39 lid 1 Wzd
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Schadevergoeding voor onvrijwillige opname zonder geldige rechterlijke machtiging
Betrokkene is van 15 februari 2025 tot en met 17 april 2025 onvrijwillig opgenomen geweest op een gesloten afdeling zonder geldige rechterlijke machtiging. De aanvraag voor een opvolgende machtiging werd te laat ingediend door de zorgaanbieder en het CIZ, waardoor de opname in strijd met artikel 24 lid 1 WzdPro was.
De bewindvoerder verzocht namens betrokkene om schadevergoeding op grond van artikel 44 WzdPro, stellende dat betrokkene immateriële schade had geleden door de onwettige opname. De rechtbank stelde vast dat de bewindvoerder als formele procespartij optrad en verklaarde het verzoek jegens het CIZ niet-ontvankelijk omdat het CIZ niet onder de in artikel 44 WzdPro genoemde verantwoordelijken valt.
De rechtbank oordeelde dat de zorgaanbieder de wet niet in acht had genomen door betrokkene zonder geldige machtiging op te nemen en dat er sprake was van verzet van betrokkene tegen de opname. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €80 per dag, lager dan de oriëntatiepunten van €100, omdat de rechterlijke machtiging uiteindelijk wel zou zijn verleend. De totale vergoeding bedraagt €4.960 voor 62 dagen. Verzoek tot wettelijke rente en kosten werd afgewezen en partijen dragen eigen kosten.
Uitkomst: De zorgaanbieder is veroordeeld tot betaling van €4.960 schadevergoeding wegens onvrijwillige opname zonder geldige rechterlijke machtiging.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/699725 / FA RK 25-3795
Beschikking van 3 oktober 2025 betreffende een schadevergoeding als bedoeld in artikel 44 vanPro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
[bewindvoerder] , hierna: de bewindvoerder, gevestigd te [plaats 1] ,
in de hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1936,
hierna: betrokkene,
op dit moment verblijvende in [verpleeghuis] van [zorgaanbieder] te [plaats 2] ,
advocaat mr. H.M. Schwab te Rotterdam.
tegen:
[zorgaanbieder], gevestigd te [plaats 2] , hierna: de zorgaanbieder,
en
het Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Utrecht, hierna: het CIZ.
1.Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van betrokkene met bijlagen, ontvangen op 16 mei 2025;
het e-mail bericht van het CIZ, ontvangen op 20 juni 2025;
de procesmachtiging van de bewindvoerder van 14 juli 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene;
[persoon A] en [persoon B] , beiden bewindvoerder en verbonden aan de bewindvoerder;
de hiervoor genoemde advocaat namens de bewindvoerder;
[persoon C] , maatschappelijk werker, verbonden aan de zorgaanbieder.
2.Feiten
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2024 is ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf verleend tot en met 14 februari 2025.
2.2.
Op 27 februari 2025 is bij het CIZ een aanvraag voor een opvolgende rechterlijke machtiging (gedateerd op 12 november 2024) voor vijf jaar ten aanzien van betrokkene ingediend.
2.3.
Op 27 maart 2025 heeft het CIZ bij deze rechtbank een verzoek voor een opvolgende rechterlijke machtiging voor vijf jaar ten aanzien van betrokkene ingediend.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 is ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf verleend tot en met 14 februari 2026.
3.Verzoek en verweer
3.1.
De bewindvoerder stelt dat betrokkene vanaf 15 februari 2025 tot 17 april 2025 onvrijwillig en zonder geldige titel op een gesloten afdeling ( [afdeling] ) is opgenomen en verzoekt de rechtbank een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 44 lid 2 WzdPro. De bewindvoerder voert daartoe het volgende aan.
3.1.1.
De aanvraag voor een rechterlijke machtiging moet op grond van artikel 25 lid 3 WzdPro in de negende of achtste week voor afloop van de geldende rechterlijke machtiging bij het CIZ worden ingediend. De rechterlijke machtiging van 14 augustus 2025 is tot en met 14 februari 2025 verleend, en de aanvraag had derhalve voor 20 december 2024 ingediend moeten worden. In plaats daarvan is de aanvraag pas op 27 februari 2025 ingediend. Dat is dus te laat.
3.1.2.
Volgend op de aanvraag is het verzoekschrift eerst op 27 maart 2025 bij de rechtbank ingediend en conform artikel 39, lid 1 Wzd op 17 april 2025 behandeld door de rechtbank.
3.1.3.
De bewindvoerder verzoekt de zorgaanbieder en het CIZ hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding vanwege immateriële schade die door betrokkene is geleden vanwege de onwettige opname. De bewindvoerder verwijst naar de Oriëntatiepunten schadevergoeding in verplichte zorgzaken en verzoekt een bedrag van € 100,- per dag toe te kennen. De bewindvoerder stelt dat sprake is van een onwettige opname van 62 dagen, waardoor de bewindvoerder in totaal een bedrag van € 6.200,- verzoekt, althans een vergoeding vast te stellen naar billijkheid, waarbij tevens aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025, en de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. Tijdens de mondelinge behandeling licht de bewindvoerder toe dat het bij gerechtelijke kosten gaat om de griffierechten, als die in rekening zijn gebracht.
4.Beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
Op grond van artikel 44 lid 2 WzdPro kan de cliënt of zijn vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder, de Wzd-functionaris of de zorgverantwoordelijke, indien de wet niet in acht is genomen door de zorgaanbieder, de Wzd-functionaris of de zorgverantwoordelijke.
4.2.
Lopende het geding heeft de rechtbank geconstateerd dat de goederen van betrokkene onder bewind zijn gesteld. Ingevolge artikel 1:441 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt dat tijdens het bewind de bewindvoerder betrokkene in en buiten rechte vertegenwoordigt met betrekking tot handelingen die de onder bewind gestelde goederen betreffen. Het verzoek tot schadevergoeding heeft betrekking op het vermogen van betrokkene, waarover het ingestelde bewind zich uitstrekt. De bewindvoerder treedt in dat geval in eigen naam en voor rekening van de rechthebbende op als formele procespartij. Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5143.
De rechtbank heeft de bewindvoerder om die reden ambtshalve in de gelegenheid gesteld om het verzoek van betrokkene lopende het geding als formele procespartij over te nemen. Uit de procesmachtiging van de bewindvoerder van 14 juli 2025 blijkt naar het oordeel genoegzaam dat de bewindvoerder het geding als formele procespartij heeft overgenomen.
4.3.
Ten aanzien van het verzoek jegens het CIZ overweegt de rechtbank dat artikel 44 WzdPro een beperkte kring kent tot wie een verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in dat artikel zich kan richten. Het CIZ behoort daar niet toe, zodat een dergelijk verzoek niet tegen het CIZ kan worden ingediend. [1] De rechtbank verklaart de bewindvoerder dan ook niet-ontvankelijk ten aanzien van het verzoek jegens het CIZ.
4.4.
De rechtbank gaat over tot inhoudelijke behandeling van de overige verzoeken.
Opname
4.5.
Onweersproken is komen vast te staan dat betrokkene van 15 februari 2025 tot en met 17 april 2025 zonder juridische titel onvrijwillig opgenomen is geweest bij de zorgaanbieder.
4.6.
Gelet op het bepaalde in artikel 24 lid 1 WzdPro, waaruit volgt dat onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een cliënt alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging in een geregistreerde accommodatie, heeft de zorgaanbieder in voornoemde periode in strijd met de wet gehandeld door betrokkene in die periode onvrijwillig en zonder rechterlijke machtiging opgenomen te houden in haar accommodatie.
4.7.
Dat bij betrokkene in die gehele periode sprake was van verzet leidt de rechtbank af uit het feit dat in de aanvraag van 12 november 2024, in de medische verklaring van [persoon D] van 25 maart 2025, in het verzoekschrift van het CIZ van 27 maart 2025 en in de beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 vermeld staat dat bij betrokkene sprake is van verzet tegen de opname. Zo staat in de aanvraag dat betrokkene sinds haar opname blijft aangeven dat zij naar huis wil terugkeren en staat in de medische verklaring dat zij herhaaldelijk benoemt dat zij niet in het verpleeghuis wil zijn.
4.8.
De zorgaanbieder had, op grond van artikel 48 lid 1 subPro b. Wzd, betrokkene dan ook op 15 februari 2025 ambtshalve ontslag moeten verlenen. Omdat de zorgaanbieder dit niet heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de zorgaanbieder in de periode van 15 februari 2025 tot en met 17 april 2025 de wet niet in acht heeft genomen.
Hoogte van de schadevergoeding
4.9.
Op grond van artikel 44 lid 2 WzdPro kent de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
4.10.
De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding rekening met de ernst van de normschending en vooral met de gevolgen hiervan voor betrokkene.
4.11.
In beginsel is het reguliere aansprakelijkheidsrecht van toepassing. Dat houdt in dat verzoeker moet stellen dat hij schade heeft geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen zijn schade en de normschending. De wetgever heeft met artikel 44 WzdPro een laagdrempelige regeling in de wet opgenomen ten aanzien van een verzoek om schadevergoeding door een belanghebbende. Om die reden stelt de rechtbank geen al te hoge eisen aan het bewijs van schade, zolang er maar enige onderbouwing is en voldoende aannemelijk is dat er schade is.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling voldoende onderbouwd dat betrokkene door de opname zonder juridische titel immateriële schade heeft geleden. Volgens de advocaat wist betrokkene dat zij zonder juridische titel was opgenomen, omdat hij haar dit had laten weten. De advocaat vervolgt dat betrokkene haar huis mist en moeite heeft met de verpleging. Betrokkene vertelt dat zij geen buitenlucht krijgt. Tegen deze achtergrond kan worden overgegaan tot het toekennen van een schadevergoeding.
4.13.
In 2024 zijn de Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken (hierna: de oriëntatiepunten) van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (LOVF) op www.rechtspraak.nl gepubliceerd. De oriëntatiepunten bieden een handvat, waarvan kan worden afgeweken als omstandigheden van de zaak daartoe aanleiding geven. Voor de situatie waarin een betrokkene zonder juridische titel wordt opgenomen, wordt in de oriëntatiepunten een bedrag van € 100,- per dag genoemd.
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt de volledige termijnoverschrijding in de invloedssfeer van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft in strijd met artikel 25 lid 3 WzdPro de aanvraag niet in de negende of achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van deze machtiging gedaan, maar pas op 27 februari 2025. Op grond van artikel 26 lid 1 moetPro het CIZ binnen een week na de aanvraag een verzoek bij de rechtbank indienen, hetgeen niet is gebeurd. Het verzoek is namelijk pas op 27 maart 2025 bij de rechtbank ingediend. De maatschappelijk werker heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er iets mis is gegaan bij het indienen van de aanvraag van 12 november 2024. Toen de zorgaanbieder hierachter kwam, is op 27 februari 2025 de aanvraag opnieuw ingediend. Op dat moment moest vervolgens een nieuwe medische verklaring opgesteld worden. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag van 27 februari 2025 niet volledig is geweest, waardoor er geen reden is om het schadevergoedingsbedrag te matigen. Bovendien, zelfs als de termijnoverschrijding in de invloedssfeer van het CIZ zou hebben gelegen, had de zorgaanbieder op grond van artikel 48 lid 1 subPro b. Wzd ontslag moeten verlenen aan betrokkene.
4.15.
Het feit dat de rechtbank de duur van de rechterlijke machtiging van 17 april 2025 in lijn met Hoge Raad 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:227 heeft verkort met onder andere de termijnoverschrijding geeft de rechtbank ook geen aanleiding om het bedrag te matigen.
4.16.
De rechtbank ziet om een andere reden wel aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank acht het redelijk om te betrekken dat betrokkene in dezelfde positie zou hebben verkeerd in het geval de zorgaanbieder wel tijdig de juiste juridische grondslag zou hebben gebruikt voor het verblijf. Op 17 april 2025 is de opvolgende rechterlijke machtiging namelijk verleend en de rechtbank ziet geen aanleiding om ervan uit te gaan dat deze rechterlijke machtiging niet zou zijn verleend als de aanvraag en het verzoekschrift wel tijdig waren ingediend. In verband met de onvrijwillige opname zonder juridische titel acht de rechtbank een lager bedrag van € 80,- per dag redelijk en billijk. Omdat het een periode van 62 dagen betreft, zal de rechtbank in totaal € 4.960,- toekennen.
Overige kosten
4.17.
Het is de rechtbank gebleken dat het dossier een last tot toevoeging bevat met bovenstaand zaak- en rekestnummer. Griffierechten zijn niet bij de bewindvoerder in rekening gebracht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om in aanvulling op de toe te kennen schadevergoeding de zorgaanbieder te veroordelen tot betalen van wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 of eventuele overige gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank wijst dit verzoek van de bewindvoerder dan ook af. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
5.Beslissing
De rechtbank:
5.1.
verklaart de bewindvoerder niet-ontvankelijk ten aanzien van het verzoek jegens het CIZ;
5.2.
veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een bedrag van € 4.960,- aan de bewindvoerder;
5.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Huizenga, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. McFedries, griffier, op 3 oktober 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.