Eiser, ex-partner van een gedupeerde van de toeslagenaffaire, betwist de hoogte van de compensatie van €10.000 toegekend door de Dienst Toeslagen op basis van artikel 2.14h van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Hij stelt dat de materiële en immateriële schade die hij heeft geleden aanzienlijk hoger is en dat de forfaitaire vergoeding onvoldoende recht doet aan zijn situatie.
De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en stelt dat de wet geen ruimte biedt voor een hogere vergoeding dan het forfaitaire bedrag. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat eiser belang heeft bij een hogere vergoeding, maar dat de wet strikt voorschrijft dat het bedrag van €10.000 niet kan worden overschreden. De hardheidsclausule biedt geen bevoegdheid om hiervan af te wijken.
De rechtbank benadrukt dat het ontbreken van een regeling voor aanvullende compensatie van ex-partners op basis van werkelijk geleden schade niet leidt tot een andere uitkomst. Eiser wordt verwezen naar de civiele rechter voor eventuele schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.P. Ferwerda op 3 november 2025 en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending.