ECLI:NL:CBB:2025:102
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling openbaarmaking boetebesluit AFM en toepassing evenredigheidscriterium
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het hoger beroep van [naam 1] tegen de openbaarmaking door de AFM van een bestuurlijke boete die aan hem is opgelegd op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de AFM bevoegd was tot openbaarmaking en of zij bij de beoordeling van het risico op onevenredige schade aan [naam 1] het juiste criterium heeft toegepast.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van [naam 1] ongegrond en oordeelde dat de AFM bevoegd was tot openbaarmaking. Het toetsingscriterium was volgens de rechtbank het individuele bijzondere situatie-criterium, waarbij alleen in uitzonderlijke gevallen van schade aan de betrokkene de openbaarmaking geanonimiseerd of uitgesteld kan worden. Het College nuanceert dit criterium en stelt dat de beoordeling moet plaatsvinden tegen de achtergrond van vier door de wetgever benoemde doelen van openbaarmaking, waarbij een evenwichtigheidsafweging moet worden gemaakt tussen het belang van volledige openbaarmaking en de mate van schade voor de betrokkene.
Het College oordeelt dat het boetebesluit onherroepelijk is geworden ondanks eerdere herzieningen van de boetehoogte en dat de AFM ook de passages over de oorspronkelijke boetehoogte mocht publiceren. De AFM heeft volgens het College terecht de belangenafweging gemaakt en de volledige openbaarmaking gehandhaafd, omdat de schade voor [naam 1] niet concreet is onderbouwd en de maatschappelijke belangen van transparantie en marktwaarschuwing zwaarder wegen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motieven.
Uitkomst: Het College bevestigt de bevoegdheid van de AFM tot volledige openbaarmaking van het boetebesluit en wijst het hoger beroep van [naam 1] af.