De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen, omdat de moeder onvoldoende meewerkt aan hulpverlening en geen inzicht toont in haar aandeel in de problematiek van het kind. De minderjarige woont sinds januari 2024 bij de vader vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder. De gecertificeerde instelling en de vader steunden het verzoek, terwijl de moeder zich verzette en stelde dat zij wel degelijk betrokken is en dat de communicatieproblemen vooral aan de GI liggen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat er al jarenlang zorgen zijn over de ontwikkeling van de minderjarige en dat de moeder niet in staat is gebleken de veiligheid te waarborgen. Hoewel de moeder erkent het kind te hebben geslagen, ziet zij haar aandeel in de trauma’s niet in. De band tussen moeder en kind is hecht en het contact moet goed worden vormgegeven. De hulpverlening is nog in opstartfase en de moeder heeft tijdens de zitting aangegeven mee te willen werken.
Gezien deze omstandigheden acht de rechtbank het op dit moment niet passend om het gezag van de moeder te beëindigen. De beslissing wordt aangehouden tot 1 februari 2026, waarbij de moeder een laatste kans krijgt om volledige medewerking te tonen aan gezagsbeslissingen en hulpverlening. De Raad, GI en advocaat worden verzocht tijdig te rapporteren over de voortgang. Tevens wordt een kindgesprek gepland voor een volgende zitting.