AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beschikking tot wijziging zorgmachtiging en aanhouding behandeling wegens afwezigheid betrokkene
De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 oktober 2025 het verzoek van de officier van justitie tot wijziging van een zorgmachtiging op grond van artikel 8:12 WvggzPro. Betrokkene was ongeoorloofd afwezig tijdens de mondelinge behandeling, waarop de rechtbank besloot de behandeling aan te houden om betrokkene alsnog te kunnen horen.
De rechtbank stelde vast dat op 22 november 2024 een zorgmachtiging was verleend die verplichte zorg voorschreef, waaronder medicatietoediening en ambulante behandelafspraken. In oktober 2025 werd betrokkene tijdelijk opgenomen en werden aanvullende vormen van verplichte zorg toegepast. Betrokkene verliet zonder toestemming de instelling en is sindsdien vermist.
De advocaat van betrokkene voerde verweren aan, waaronder het niet tijdig ontvangen van documenten en overschrijding van termijnen voor het indienen van verzoeken. De rechtbank verwierp deze verweren, verwijzend naar jurisprudentie en wettelijke bepalingen die niet leiden tot niet-ontvankelijkheid of afwijzing bij termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde de officier ontvankelijk en hield de behandeling aan voor onbepaalde tijd om betrokkene alsnog te horen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging ontvankelijk en houdt de behandeling aan wegens afwezigheid van betrokkene.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/708926 / FA RK 25-8093
Referentienummer: ZM/IND/183505
Beschikking van 30 oktober 2025 betreffende een wijziging van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 8:12 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1996, [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [plaats] ,
op dit moment verblijvende in [GGZ 1] , [kliniek] te [plaats] ,
advocaat mr. M.D. van Velthoven te Rotterdam.
1.Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 23 oktober 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring van 22 oktober 2025;
het zorgplan van 20 oktober 2025;
de aanvraag van de zorgverantwoordelijke van 20 oktober 2025;
het advies van de geneesheer-directeur van 23 oktober 2025;
de beschikking van deze rechtbank van 22 november 2024 met de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de hiervoor genoemde advocaat;
[arts] , arts, verbonden aan [GGZ 1] .
1.3.
Betrokkene is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.
1.4.
De officier is ook niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de arts een afschrift van ‘Bericht na crisiscontact’ van [GGZ 2] overlegd. Daarnaast heeft de advocaat afschriften van twee brieven ‘Beslissing en mededeling tot verlenen (van onvoorziene) verplichte zorg’ van [GGZ 1] overlegd.
2.Feiten
2.1.
Op basis van de mededelingen van de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling en de processtukken stelt de rechtbank het navolgende vast.
2.2.
Op 22 november 2024 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend ten aanzien van betrokkene geldend tot en met 22 november 2025 waarin is bepaald dat de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn om het ernstig nadeel af te wenden:
toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken.
2.3.
In de nacht van vrijdag 17 op zaterdag 18 oktober 2025 is betrokkene door de politie overgebracht naar GGZ-instelling ‘ [GGZ 2] ’. Aldaar is op zaterdag 18 oktober 2025 om 00:00 uur door de zorgverantwoordelijke besloten om aan betrokkene naast de voormelde vormen van zorg ook vormen van tijdelijke verplichte zorg te verlenen, waarin de huidige machtiging niet voorziet, te weten:
beperken van de bewegingsvrijheid,
insluiten,
uitoefenen van toezicht op betrokkene,
onderzoek aan kleding of lichaam,
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen of voorwerpen,
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen en
opnemen in een accommodatie.
2.4.
Op zaterdagmiddag 18 oktober 2025 is betrokkene overgebracht naar GZ-instelling [GGZ 1] .
2.5.
Op vrijdag 24 oktober 2025 heeft betrokkene de instelling zonder toestemming verlaten. Hij is tot op heden niet aangetroffen.
3.(Formele) verweren
3.1.
De advocaat heeft een aantal verweren gevoerd waarbij zij stelt dat die verweren zouden moeten leiden tot de beslissing dat het verzoek van de officier wordt afgewezen. Nu betrokkene niet gehoord is over het verzoek, zal de rechtbank uitsluitend de verweren bespreken die zonder inhoudelijke beoordeling kunnen leiden tot een afwijzing van het verzoek van de officier, dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de officier in het verzoek.
3.2.
De advocaat van betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene is benadeeld doordat zij niet het juiste afschrift van de mededeling van de zorgverantwoordelijke van 18 oktober 2025 toegezonden heeft gekregen. Hierdoor heeft zij betrokkene niet kunnen bijstaan bij het indienen van een klacht overeenkomstig het voor hem openstaande klachtrecht. De rechtbank overweegt dienaangaande dat een eventueel gebrek in dit kader niet noopt tot afwijzing van het onderhavige verzoek van de officier, dan wel tot niet-ontvankelijkverklaring. Geen rechtsregel dwingt daartoe. De overschrijding van de maximale duur van de tijdelijke verplichte zorg kan aan de orde worden gesteld in het kader van het verzoek van betrokkene om schadevergoeding.
3.3.
De advocaat van betrokkene heeft zich voorts onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1279) op het standpunt gesteld dat de geneesheer-directeur en ook de officier hun respectievelijke aanvraag en verzoek te laat hebben ingediend en dat de rechtbank te laat uitspraak zal doen, hetgeen telkens tot afwijzing van het verzoek moet leiden, dan wel – zo begrijpt de rechtbank – tot niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat. De advocaat heeft verwezen naar een uitspraak die ziet op een verzoek om machtiging tot voortzetting crisismaatregel en toepasselijkheid van art. 2 vanPro de Algemene termijnenwet (Atw) op de driedagentermijn ex art. 7:8 lid 3 WvggzPro, maar dusdoende heeft zij miskend dat het in deze zaak gaat om een tijdelijke interventie als bedoeld in art. 8:11 WvggzPro.
3.4.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 oktober 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1515) overweegt de rechtbank dat een eventuele overschrijding van de in artikel 8:12 lid 3 WvggzPro gegeven termijn er niet aan in de weg staat dat de officier in het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging kan worden ontvangen. Een eventuele overschrijding leidt dus niet zonder meer tot een afwijzing en de beslissing van de rechtbank vergt een inhoudelijke behandeling. De eventuele overschrijding van de maximale duur van de tijdelijke verplichte zorg kan, zoals eerder al benoemd, aan de orde worden gesteld in het kader van het verzoek van betrokkene om schadevergoeding.
3.5.
Verder bevat de Wvggz mede gelet op hetgeen is bepaald in artikel 8:12 lid 4 WvggzPro geen termijn voor het indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 8:12 lid 5 WvggzPro. De officier heeft op donderdag 23 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend bij de rechter. Op dit verzoek is de beslistermijn van toepassing ex art. artikel 6:2, 1e lid, onderdeel d, Wvggz, te weten een beslistermijn van drie werkdagen. Die termijn zou de rechtbank op dinsdag 28 oktober 2025 hebben gehaald, ware het niet dat de afwezigheid van betrokkene de rechtbank ertoe dwingt de behandeling aan te houden om betrokkene in de gelegenheid te stellen gehoord te worden. Niet is gebleken immers dat betrokkene op de hoogte was van de zitting van 28 oktober 2025. Ook deze termijnoverschrijding brengt met gelijkluidende motivering de rechtbank niet tot het oordeel dat het verzoek van de officier zonder inhoudelijke behandeling dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank verwijst daarbij naar een conclusie van A-G Snijders van 9 juli 2021, ECLI: NL:PHR:2021:692 onder 3.8, en een conclusie waarin hij stelt dat overschrijding van de beslistermijn niet kan leiden tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank. De wet stelt immers niet als sanctie op de overschrijding van de beslistermijn dat niet meer op het verzoek kan worden beslist door de rechtbank of dat de rechtbank dat verzoek niet meer kan toewijzen.
3.6.
Om betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen om gehoord te worden, zal de rechtbank de behandeling van het verzoek voor het overige voor onbepaalde tijd aanhouden tot een nader te bepalen datum, tijdstip en locatie.
4.Beslissing
De rechtbank:
4.1.
verklaart de officier ontvankelijk;
4.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan voor onbepaalde tijd tot een nader te bepalen datum, tijdstip en locatie.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Kuilenburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van A. Versluis, griffier, op 30 oktober 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.