ECLI:NL:RBROT:2025:14733

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/10758
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de rechtsverhouding tussen een zorgverlener en de Sociale Verzekeringsbank in het kader van de Wet WIA

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 18 december 2025, in de zaak tussen [naam eiseres] en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), concludeert de rechtbank dat de rechtsverhouding tussen eiseres en de Sociale Verzekeringsbank (Svb) niet kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Eiseres had een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), welke door het UWV was afgewezen. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet als werknemer kan worden aangemerkt in de zin van de Wet WIA, omdat er geen gezagsverhouding bestond tussen haar en de Svb. Eiseres had 22 jaar mantelzorg verleend aan haar tweelingzoons op basis van een zorgovereenkomst, maar de rechtbank stelt vast dat de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst niet zijn vervuld. De rechtbank wijst erop dat de wet dwingend is en geen ruimte biedt voor uitzonderingen, en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de afwijzing van de aanvraag onredelijk maken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de kosten af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10758

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. O.F.X. Roozemond),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV,

(gemachtigde: mr. T. Rook).

Samenvatting

In deze uitspraak concludeert de rechtbank dat de rechtsverhouding tussen eiseres en de Svb niet kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst en dat zij dientengevolge niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet WIA en evenmin aanspraak kan maken op een Wet WIA-uitkering.

Procesverloop

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 19 april 2024 afgewezen.
Met het bestreden besluit van 16 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft op 7 augustus 2025 nadere beroepsgronden ingediend. Op 11 september 2025 is een brief van eiseres van 18 augustus 2025 ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

1.1.
Eiseres heeft, tot hun plaatsing in een zorginstelling in februari 2023, 22 jaar fulltime mantelzorg verleend aan haar meervoudig gehandicapte tweelingzoons op basis van een zorgovereenkomst op grond van een persoonsgebonden budget (pgb) verleend door de Sociale verzekeringsbank (Svb).
1.2.
Eiseres heeft op 2 april 2024 een Wet WIA-aanvraag bij het UWV ingediend en daarbij gemeld dat zij sinds 16 januari 2023 ziek is. Het UWV heeft met het primaire besluit de Wet WIA-aanvraag afgewezen, op de grond dat eiseres niet verzekerd is voor de Wet WIA.
1.3.
Met het bestreden besluit heeft het UWV zijn standpunt gehandhaafd. Eiseres is niet verzekerd voor de Wet WIA, omdat zij geen werknemer is. In bepaalde situaties kan een pgb-zorgverlener worden aangemerkt als werknemer. Daarvoor moet er voldaan zijn aan de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst, namelijk arbeid, loon en een gezagsverhouding. Volgens het UWV is in het geval van eiseres geen sprake geweest van een gezagsverhouding tussen haar en haar tweelingzoons.
2. Eiseres kan zich niet verenigen met deze motivering van het UWV. Eiseres voert in haar (aanvullend) beroepschrift aan dat het UWV het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden omdat geen onderzoek is gedaan naar de handelingsbekwaamheid van haar tweelingzoons. Vanwege hun handelingsonbekwaamheid konden zij geen werkgever zijn in de zin van artikel 7:610 BW. Eiseres voert verder aan dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, omdat niet is gespecificeerd welke documenten of bewijsmiddelen vereist waren voor het aantonen van een gezagsverhouding.
Daarnaast is onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de pgb-constructie met Svb-goedkeuring onvoldoende is om te kunnen spreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiseres betoogt dat vanwege de pgb-constructie een arbeidsovereenkomst bestond met de Svb als feitelijke werkgever. De Svb verstrekte het budget voor specifiek de arbeid die eiseres verrichtte, goedgekeurde zorgovereenkomsten definieerden de arbeidsinhoud en de zorgverlening vond plaats onder de supervisie van het zorgkantoor/CIZ-systeem.
Het bestreden besluit is volgens eiseres ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat de overheid tekort is geschoten in voorlichting over de gevolgen van pgb-zorgverlening voor de sociale zekerheidsaanspraken en zij daardoor is benadeeld. Ten slotte leidt het besluit tot voor haar onevenredige gevolgen, omdat zij zonder enige sociale zekerheid komt te staan, terwijl zij wel de lasten van het werknemerschap heeft gedragen en geen andere inkomsten heeft kunnen genereren.
3.1.
Op grond van artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Ziektewet is verplicht verzekerd voor de Wet WIA, voor zover van belang, de werknemer die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.
3.2.
In deze zaak is in geschil of eiseres moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet WIA en of zij aanspraak kan maken op een Wet WIA-uitkering.
De privaatrechtelijke dienstbetrekking
4.1.
Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. [1] Bij de beantwoording van de vraag of een arbeidsverhouding is aan te merken als een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. [2]
4.2.
Voorts is vaste rechtspraak dat ook bij een arbeidsverhouding tussen partijen die tot elkaar in een familiebetrekking staan als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan gezag is onderworpen van de wederpartij. Van gezag zal sprake zijn als laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Het bestaan van een familierelatie is een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling. [3]
4.3.
Vaststaat dat eiseres werkzaamheden voor haar tweelingzoons heeft verricht en hiervoor loon (uit het pgb-budget) heeft ontvangen. Niet is in geschil dat sprake is (geweest) van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid en tot het betalen van loon. Wel is in geschil of sprake is (geweest) van een gezagsverhouding tussen eiseres en haar tweelingzoons, dan wel tussen eiseres en de Svb. Nog daargelaten dat in de zorgovereenkomsten wordt gesproken van een “overeenkomst van opdracht”, ontbreken daarin naar het oordeel van de rechtbank aanknopingspunten voor het aannemen van een gezagsverhouding. Overigens ontbreken ook bepalingen die doorgaans kenmerkend zijn voor een op een arbeidsovereenkomst gebaseerde gezagsverhouding, zoals bepalingen over vakantie en ziekte. Over de wijze waarop eiseres haar werkzaamheden moest verrichten heeft zij ook anderszins geen objectieve en verifieerbare informatie verstrekt, hetgeen wel verwacht had mogen worden ter onderbouwing van de stelling over de aanwezigheid van een gezagsverhouding. [4]
Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat een arbeidsovereenkomst met haar zoons inderdaad niet mogelijk is en dat de handelingsonbekwaamheid van haar zoons door haar in het aanvullend beroepschrift naar voren is gebracht als achtergrond van haar betoog dat de Svb in dit geschil dient te worden aangemerkt als de werkgever. Eiseres verwijst voor de door haar bepleite holistische kijk op de gezagsverhouding naar het Deliveroo-arrest [5] , waaruit blijkt dat als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst ook als zodanig moet worden aangemerkt. De Svb houdt toezicht op eiseres en voert administratieve controles uit. De gezagsverhouding kan daarbij volgens eiseres dus tot uitdrukking komen in het toezicht en de (institutionele) controle zoals die aan de Svb zijn opgedragen.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog niet, omdat dit toezicht en die controle achteraf plaatsvinden en geen concrete gezagsuitoefening vormen ten aanzien van de dagelijkse bezigheden van eiseres ten behoeve van haar zoons. Voorts blijkt niet van enige concrete instructie voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden, noch van continu zicht, laat staan toezicht, van de Svb op de werkzaamheden van eiseres. Gelet op het voorgaande valt ten slotte niet in te zien wat het UWV aan (nader) onderzoek had moeten verrichten, zoals door eiseres betoogd, en evenmin dat het UWV om bewijsstukken had moeten vragen.
4.4.
Het hiervoor overwogene voert tot de slotsom dat de rechtsverhouding tussen eiseres en de Svb niet kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.
De evenredigheid van het genomen besluit
5.1.
De bepalingen van de Wet WIA ten aanzien van het verzekerd zijn, zijn dwingend van aard. Dat betekent dat de wet geen ruimte biedt om aan iemand die niet voldoet aan de voorwaarden die in de Wet WIA staan een uitkering toe te kennen. De Wet WIA is een wet in formele zin, wat betekent dat de toepassing van de relevante bepalingen van deze wet niet kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht [6] , waaronder het evenredigheidsbeginsel. [7]
Alleen als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever kan het zijn dat deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven [8] .
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De dwingend geformuleerde voorwaarden voor het verzekerd zijn voor de Wet WIA strekken er namelijk toe dat diegenen die op het moment van arbeidsongeschiktheid niet verzekerd zijn, zoals eiseres, niet in aanmerking komen voor een Wet WIA-uitkering. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kring van verzekerden te beperken tot mensen die verplicht zijn verzekerd [9] , die onder de nawerking van de verzekering vallen [10] , of die een vrijwillige verzekering hebben afgesloten. [11] Het gevolg daarvan is dat mensen die niet tot die kring van verzekerden behoren, geen aanspraak kunnen maken op een Wet WIA-uitkering. Aangenomen moet worden dat de wetgever dit gevolg heeft bedoeld en voorzien. Uit niets blijkt dat de wetgever heeft beoogd ook Wet WIA-aanspraken voor pgb-zorgverleners zonder arbeidsovereenkomst in het leven te roepen. Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat uit een recent kabinetsplan van 15 mei 2025 over “sociale zekerheid voor alle pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst” veeleer het tegendeel blijkt. [12] Het betoog van eiseres in haar brief van 18 augustus 2025 dat het UWV niet heeft gehandeld naar wat de wetgever met de Wet WIA heeft beoogd, namelijk ook in haar geval een voldoende inkomensvoorziening verzekeren, slaagt derhalve niet.
5.3.
Het bestreden besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat - zoals eiseres betoogt - de overheid tekort is geschoten in voorlichting over de gevolgen van pgb-zorgverlening voor de sociale zekerheidsaanspraken. Nog daargelaten dat er een verschil is tussen “de overheid” en het UWV, is niet gesteld of gebleken dat eiseres verkeerd is voorgelicht over haar recht op een Wet WIA-uitkering. Voorts had het op de weg van eiseres gelegen om zich te informeren over een eventueel recht op Wet WIA-uitkering bij de door haar gemaakte keuze.
Het bestreden besluit heeft evenmin een discriminatoir karakter, zoals eiseres ter zitting nog heeft toegelicht, wijzend op de ongelijke behandeling van familieleden en niet- familieleden die pgb-werkzaamheden verrichten. Uit het voorgaande volgt immers dat niet dat onderscheid relevant is, maar het al of niet werken onder een bij een arbeidsovereenkomst horende gezagsverhouding.
5.4.
Bij dit alles is het de rechtbank niet ontgaan dat eiseres met de jarenlange intensieve zorg en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor haar gezondheid en financiën, in een moeilijke situatie is komen te verkeren. Dit kan echter, in het licht van wat hiervoor onder 5.2 is overwogen, niet tot gevolg hebben dat daardoor aanspraak ontstaat op een Wet WIA-uitkering. Het is aan de wetgever om daarin als dat nodig is verandering te brengen. Eiseres verkeert echter niet, zoals zij heeft aangevoerd, zonder enige vorm van sociale zekerheid, aangezien de Participatiewet een vangnet biedt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en
mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:878, en 21 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3233.
2.Uitspraak van de Raad van 20 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1313, onder 4.3. Zie ook de uitspraak van 6 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2182, onder 4.2.
3.Uitspraken van de Raad van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:156, en 6 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2182, onder 4.5.
4.Uitspraak van de Raad van 2 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1040.
5.Arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443.
6.Dit volgt uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet.
7.Dat is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.Uitspraak van de Raad van 22 mei 2025, ECLI:CRVB:2025:802, en van de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
9.Artikel 7 van de Wet WIA.
10.Artikel 10 van de Wet WIA.
11.Artikel 18 van de Wet WIA.
12.https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgebonden-budget-pgb/gelijke-rechten-voor-pgb-zorgverleners