Uitspraak
PROCESVERLOOP
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft zorg verleend aan zijn schoonmoeder op basis van een zorgovereenkomst en ontving hiervoor loon. Het UWV weigerde een WW-uitkering omdat er geen sprake was van een gezagsverhouding, een vereiste voor een arbeidsovereenkomst en daarmee voor het recht op WW.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een gezagsverhouding bestond. Appellant had verklaard dat er geen toezicht of controle was en dat de Sociale Verzekeringsbank hem ter verantwoording riep, niet zijn schoonmoeder. De rechtbank ging uit van de juistheid van deze schriftelijke verklaring, wat appellant niet kon weerleggen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de vragenlijst niet goed had ingevuld en dat de gewaarborgde hulp toezicht hield, maar de Raad volgde dit niet. De Raad bevestigde dat de gezagsverhouding ontbrak en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om dit te weerleggen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten omdat het hoger beroep niet slaagde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen werknemer is en weigert de WW-uitkering.