ECLI:NL:RBROT:2025:14837

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
10.042227.23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bankhelpdeskfraude gericht op ouderen met diefstal en oplichting

Op 9 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen bankhelpdeskfraude heeft gepleegd, gericht op oudere slachtoffers. De verdachte is veroordeeld voor diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel en het medeplegen van oplichting. De feiten vonden plaats tussen 8 oktober 2022 en 7 februari 2023 in verschillende steden in Nederland, waaronder Dordrecht en Rotterdam. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van deze strafbare feiten, waarbij hij zich voordeed als een bankmedewerker en slachtoffers overtuigde om hun bankpassen en pincodes af te geven. De rechtbank heeft de vorderingen van benadeelde partijen grotendeels toegewezen, met een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur opgelegd. De rechtbank heeft ook bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf, waaronder meldplicht bij de reclassering en deelname aan gedragsinterventies. De verdachte is in zijn strafbaarheid erkend, en de rechtbank heeft de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers in overweging genomen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.042227.23
Datum uitspraak: 9 december 2025
Datum zitting: 25 november 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
gedetineerd in de P.I. [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. L.A.E. Timmer
Officier van justitie: mr. D.D.B. Reuter
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van het meermalen plegen van diefstal in vereniging met een valse sleutel (feit 1) en het meermalen medeplegen van oplichting (feit 2).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2022 tot en met 7 februari 2023, te Dordrecht, Rotterdam, Spijkenisse, Naaldwijk en/of Zoetermeer, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
  • in zaak [naam zaak 1] : een geldbedrag van ongeveer 3.939,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of
  • in zaak [naam zaak 2] : een geldbedrag van ongeveer 3.439,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of
  • in zaak [naam zaak 3] : een geldbedrag van ongeveer 2.488,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of
  • in zaak [naam zaak 4] : een geldbedrag van ongeveer 3.470,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of
  • in zaak [naam zaak 5] : een geldbedrag van ongeveer 3.544,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] ,
  • in zaak [naam zaak 6] : een geldbedrag van ongeveer 3.969,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] ,
  • in zaak [naam zaak 7] : een geldbedrag van ongeveer 2.849,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] ,
  • in zaak [naam zaak 8] : een geldbedrag van ongeveer 2.428,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] ,
  • in zaak [naam zaak 9] : een geldbedrag van ongeveer 2.787,99, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), die/dat weg te nemen geldbedrag(en) (telkens) onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door (een) valse sleutel(s), van een valse order of het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels,
te weten: middels het meermalen, althans eenmaal gebruiken van één of meer bankpassen/pinpassen (inclusief bijbehorende pincode(s)) toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/ of [slachtoffer 2] en/ of [slachtoffer 3] en/ of [slachtoffer 4] en/ of [slachtoffer 5] en/ of [slachtoffer 6] en/ of [slachtoffer 7] en/ of [slachtoffer 8] en/ of [slachtoffer 9] , tot welk gebruik verdachte en/of zijn mededader(s) onbevoegd en/of niet gerechtigd was/waren;
2
hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2022 tot en met 7 februari 2023, te Dordrecht, Rotterdam, Spijkenisse, Naaldwijk en/of Zoetermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/ of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/ of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
  • in zaak [naam zaak 1] : [slachtoffer 1] en/of
  • in zaak [naam zaak 2] : [slachtoffer 2] en/of
  • in zaak [naam zaak 4] : [slachtoffer 4] en/of
  • in zaak [naam zaak 3] : [slachtoffer 3] en/of
  • in zaak [naam zaak 5] : [slachtoffer 5] en/of
  • in zaak [naam zaak 6] : [slachtoffer 6] en/of
  • in zaak [naam zaak 7] : [slachtoffer 7] en/of
  • in zaak [naam zaak 8] : [slachtoffer 8] en/of
  • in zaak [naam zaak 9] : [slachtoffer 9] ,
(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig(e) goed(eren) te weten (een) bankpas(sen) /pinpas(sen) behorende bij (een) rekeningnummer(s) van de ABNAMRO Bank en/of ING Bank en/of Rabobank, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
  • zich telefonisch jegens/aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] , voorgedaan/voorgesteld als ' [naam 1] ' en/of ' [naam 2] ' en/of ' [naam 3] ', althans een medewerkster van de ABNAMRO Bank en/of ING Bank en/of Rabobank van de afdeling fraude en/of
  • (daarbij) in die hoedanigheid valselijk en/of bedriegelijk aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] medegedeeld – zakelijk weergegeven – dat er (grote) bedragen geld werd(en) afgehaald van zijn en/of haar rekening en/of dat zijn en/of haar bankpas (direct) geblokkeerd moest worden en/of dat hij zijn en/of zij haar bankpas door moest knippen, waarbij hij/zij de chip van de bankpas wel intact moest laten en/of dat een bankmedewerker de bankpas bij hem en/of haar thuis zou komen ophalen en/of
  • (vervolgens) bij de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] aangebeld en aldaar zich (wederom) jegens die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] voorgedaan als een bankmedewerker die de bankpas/pinpas kwam ophalen.

2.De beoordeling van het bewijs

2.1.
Oordeel van de rechtbank
De officier van justitie en de verdediging zijn het erover eens dat de feiten 1 en 2 kunnen worden bewezen. In een aantal specifieke zaken verschillen zij van mening over het bewijs. De rechtbank zal daarop hieronder per zaak ingaan.
Feit 1 – diefstal in vereniging met een valse sleutel
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van diefstal in vereniging met een valse sleutel (feit 1). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.2.
2.1.1.
Bewezenverklaring zaken [naam zaak 1] , [naam zaak 2] , [naam zaak 3] , [naam zaak 4] , [naam zaak 5] , [naam zaak 7] en [naam zaak 9]
De bewezenverklaring van feit 1 voor wat betreft de zaken [naam zaak 1] , [naam zaak 2] , [naam zaak 3] , [naam zaak 4] , [naam zaak 5] , [naam zaak 7] en [naam zaak 9] is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de beschuldiging in deze zaken bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen in bijlage 1 genoemd maar niet uitgeschreven.
2.1.2.
Bewezenverklaring zaak [naam zaak 6]
In de zaak [naam zaak 6] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van de beschuldiging van alle pintransacties.
De beschuldiging van de diefstal in de zaak [naam zaak 6] is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen tot een bedrag van € 1.469,-. Dit betreft de transactie met de gestolen pinpas van slachtoffer [slachtoffer 6] bij Coolblue op 27 oktober 2022. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de pintransactie bij Coolblue bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de in bijlage 1 opgenomen bewijsmiddelen genoemd maar niet uitgeschreven.
De betrokkenheid van de verdachte bij de overige pintransacties met de gestolen pinpas in de zaak [naam zaak 6] is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan. Dit onderdeel van de beschuldiging is dus niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt hiervan partieel vrijgesproken.
2.1.3.
Vrijspraak zaak [naam zaak 8]
In de zaak [naam zaak 8] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van de beschuldiging tot een bedrag van € 990,-. Voor het overige moet de verdachte partieel worden vrijgesproken.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de beschuldiging van feit 1 in de zaak [naam zaak 8] niet is bewezen. De verdachte heeft zijn betrokkenheid in deze zaak ontkend.
Weliswaar heeft een verbalisant de verdachte op basis van de beschikbare camerabeelden herkend, maar op de beelden is naar het oordeel van de rechtbank te weinig te zien om tot een herkenning te kunnen komen. Zo komt er maar een heel beperkt deel van het gezicht in beeld en draagt de persoon op de beelden een capuchon over zijn hoofd. Op basis van deze beelden is het
niet mogelijk om de verdachte aan specifieke persoonskenmerken te herkennen. De rechtbank kan daarom niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat hij het is die op de beelden te zien is. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde voor wat betreft de zaak [naam zaak 8] .
Feit 2 – medeplegen van oplichting
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen medeplegen van oplichting (feit 2). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.
2.1.4.
Bewezenverklaring zaken [naam zaak 1] , [naam zaak 5] en [naam zaak 7]
De bewezenverklaring van feit 2 voor wat betreft de zaken [naam zaak 1] , [naam zaak 5] en [naam zaak 7] is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de beschuldiging in deze zaken bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen in bijlage 1 opgenomen maar niet uitgeschreven.
2.1.5.
Bewezenverklaring zaken [naam zaak 2] en [naam zaak 4]
In de zaken [naam zaak 2] en [naam zaak 4] heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, en heeft de verdediging zich daar - zonder nadere toelichting - bij aangesloten. De rechtbank is echter van oordeel dat de beschuldiging van het medeplegen van oplichting in de beide zaken wettig en overtuigend is bewezen. Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte voldoet aan de door de slachtoffers in de aangiftes gegeven signalementen. De verdachte heeft bovendien beide oplichtingen bekend.
2.1.6.
Vrijspraak zaken [naam zaak 3] , [naam zaak 6] , [naam zaak 8] en [naam zaak 9]
De beschuldiging van feit 2 in de zaken [naam zaak 3] , [naam zaak 6] , [naam zaak 8] en [naam zaak 9] is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
2.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij in de periode van 8 oktober 2022 tot en met 7 februari 2023 in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
  • in zaak [naam zaak 1] : een geldbedrag van 3.939,- euro toebehorende aan [slachtoffer 1] en
  • in zaak [naam zaak 2] : een geldbedrag van 3.439,- euro toebehorende aan [slachtoffer 2] en
  • in zaak [naam zaak 3] : een geldbedrag van 2.488,- euro toebehorende aan [slachtoffer 3] en
  • in zaak [naam zaak 4] : een geldbedrag van 3.470,- euro toebehorende aan [slachtoffer 4] en
  • in zaak [naam zaak 5] : een geldbedrag van 3.544,- euro toebehorende aan [slachtoffer 5]
  • in zaak [naam zaak 6] : een geldbedrag van
  • in zaak [naam zaak 7] : een geldbedrag van 2.849,- euro toebehorende aan [slachtoffer 7]
  • in zaak [naam zaak 9] : een geldbedrag van 2.787,99 euro toebehorende aan [slachtoffer 9] ,
enverdachte en zijn mededader(s) die/dat weg te nemen geldbedrag(en) (telkens) onder hun bereik hadden gebracht door (een) valse sleutel(s), te weten: middels het meermalen gebruiken van één of meer bankpassen/pinpassen (inclusief bijbehorende pincode(s)) toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 9] , tot welk gebruik verdachte en zijn mededader(s) onbevoegd en niet gerechtigd waren;
2
hij in de periode van 8 oktober 2022 tot en met
18 januari2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
  • in zaak [naam zaak 1] : [slachtoffer 1] en
  • in zaak [naam zaak 2] : [slachtoffer 2] en
  • in zaak [naam zaak 4] : [slachtoffer 4] en
  • in zaak [naam zaak 5] : [slachtoffer 5] en
  • in zaak [naam zaak 7] : [slachtoffer 7]
(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van (een) bankpas(sen)/pinpas(sen), immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
  • zich telefonisch jegens/aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] , voorgedaan als een medewerkster van de ABN AMRO Bank en/of ING Bank en/of Rabobank van de afdeling fraude en
  • (daarbij) in die hoedanigheid valselijk en/of bedrieglijk aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] medegedeeld – zakelijk weergegeven – dat er (grote) bedragen geld werd(en) afgehaald van zijn of haar rekening en dat zijn of haar bankpas (direct) geblokkeerd moest worden en/of dat hij zijn of zij haar bankpas door moest knippen, waarbij hij/zij de chip van de bankpas wel intact moest laten en dat een bankmedewerker de bankpas bij hem of haar thuis zou komen ophalen en
  • bij de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] aangebeld en aldaar zich (wederom) jegens die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.
Feit 2:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
3.3.
Samenloop
De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. De oplichting en het daaropvolgende pinnen vonden plaats op verschillende tijden en plaatsen, en niet steeds door dezelfde personen, zodat van de voor eendaadse samenloop vereiste samenhang van het feitencomplex geen sprake is en deze gedragingen de verdachte en zijn mededaders afzonderlijk kunnen worden verweten.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en met een proeftijd van twee jaar.
4.2.
Oordeel van de rechtbank
4.2.1.
Ernst en gevolgen van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van bankhelpdeskfraude. De verdachte en zijn medeverdachten hebben doelbewust personen op leeftijd en daarmee kwetsbare slachtoffers uitgezocht. De slachtoffers werden gebeld door een zogenaamde medewerk(st)er van de afdeling fraude van een Nederlandse bank. De betreffende medewerk(st)er vertelde de slachtoffers dat zij mogelijk slachtoffer waren geworden van fraude. Vervolgens moesten zij hun pincodes doorgeven, kregen zij een code waarmee een koerier die de bankpassen zou komen ophalen zich aan de deur zou identificeren, en werden de passen door de betreffende koerier thuis opgehaald. Vervolgens werden er met deze passen grote geldbedragen gepind en aankopen gedaan bij diverse winkels. De verdachte heeft zich op deze manier in totaal acht keer schuldig gemaakt aan diefstal en vijf keer aan oplichting.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben op een georganiseerde en doortrapte wijze misbruik gemaakt van het bij de slachtoffers gewekte vertrouwen. Ook uit dit dossier blijkt dat dit soort feiten de slachtoffers niet alleen in financiële zin treft, maar dat ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig wordt aangetast en voor gevoelens van schaamte, stress en angst zorgt. Daarnaast is bankhelpdeskfraude een misdrijf dat het vertrouwen ondermijnt dat rekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en het bankwezen mogen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. Ook leidt bankhelpdeskfraude tot hoge kosten voor de betrokken banken. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
4.2.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad [1] van de verdachte blijkt dat hij door de politierechter onherroepelijk is veroordeeld voor poging tot diefstal en diefstal door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd in de periode 30 december 2022 tot en met 31 januari 2023. Het gaat om soortgelijke strafbare feiten, maar de pleegperiode ligt in dezelfde periode als de pleegperiode in deze zaak, en onduidelijk is waarom die feiten niet gelijktijdig met de in deze zaak tenlastegelegde feiten zijn aangebracht. De rechtbank zal deze feiten daarom niet in strafverzwarende zin meewegen. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van Reclassering Nederland (reclassering)
De reclassering heeft in haar rapporten opgenomen dat de verdachte, nadat hij is geschorst uit de voorlopige hechtenis, een positieve weg is ingeslagen. Hij heeft zijn opleiding hervat en werk gevonden. Het toezicht bij de jeugdreclassering is goed verlopen en zijn leven was grotendeels gestabiliseerd. Sinds eind augustus 2025 zit de verdachte echter opnieuw in detentie, omdat hij een aan hem opgelegde werkstraf niet heeft uitgevoerd. De zorgen over de verdachte zijn daardoor opnieuw actueel. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering betwijfelt of het de verdachte zal lukken om zijn zaken, na zijn detentie, zelf te stabiliseren. Daarom wordt geadviseerd om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport.
Geen toepassing ASR
De reclassering adviseert de rechtbank ook om het adolescentenstrafrecht (ASR) toe te passen, omdat de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten 19 jaar oud was, hij mogelijk functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau en zich makkelijk laat beïnvloeden. De rechtbank ziet echter onvoldoende redenen voor toepassing van het ASR. De reclassering adviseert namelijk ook om eventueel toezicht te laten uitvoeren door de reclassering voor volwassenen, omdat de mogelijkheden bij de jeugdreclassering zijn uitgeput en er geen sprake meer is van directe pedagogische beïnvloeding. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in toepassing van het ASR. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen. Bij de strafoplegging wordt wel rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte.
4.2.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 februari 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en ruim negen maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaren. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ruim negen maanden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.
4.2.4.
Oplegging straffen
Straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Verder houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn, de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en het positief verlopen reclasseringstoezicht.
De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 10 maanden. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd.
De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd (met uitzondering van het contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachten, omdat de rechtbank hiertoe geen aanleiding ziet). De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, ambulante begeleiding, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
Om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen, legt de rechtbank daarnaast een taakstraf van 240 uur op.

5.Voorlopige hechtenis

De rechtbank stelt vast dat de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van
9 juni 2023 is geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg.
De verdediging heeft verzocht de (geschorste) voorlopige hechtenis op te heffen bij einduitspraak.
Bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis stelt de rechtbank vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog immer sprake is van ernstige bezwaren. De recidivegrond is ook nog onverkort aanwezig. De verdachte was betrokken bij een groot aantal diefstallen en oplichtingen. Uit het reclasseringsrapport volgt bovendien dat de verwachte instabiliteit vanwege zijn huidige detentie het risico op recidive vergroot. Dat betekent dat de voorlopige hechtenis niet zal worden opgeheven.
Ten aanzien van een eventuele hiernieuwde schorsing overweegt de rechtbank als volgt. Uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank op grond van de actuele situatie moet beoordelen of het aflopen van de schorsing van de voorlopige hechtenis nog steeds noodzakelijk is, of dat hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis is aangewezen (Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987). Daarbij moet een belangenafweging worden gemaakt tussen enerzijds de belangen van strafvordering en anderzijds de belangen van de verdachte. Bij die belangenafweging staat voorop dat de voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Voor het daadwerkelijk ondergaan van voorlopige hechtenis is slechts ruimte als dat noodzakelijk is voor het bereiken van het doel van de voorlopige hechtenis. De omstandigheid dat bij een veroordelend vonnis een gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, is geen zelfstandige grond voor opheffing van de schorsing of het laten herleven van de voorlopige hechtenis.
Mede gelet op deze jurisprudentie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan.
Deze beslissing is opgenomen in een afzonderlijk bevel schorsing voorlopige hechtenis.

6.Vordering van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

6.1.
Vordering [slachtoffer 2]
(Wijlen) [slachtoffer 2] heeft voor de feiten 1 en 2 € 860,- als vergoeding van materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
6.2.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 gepleegde strafbare feiten. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 860,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
6.2.2.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een of meer mededader(s) gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de toe te kennen schadevergoeding (vermeerderd met de hierna te noemen wettelijke rente). Als de mededader(s) de schadevergoeding (voor een deel) heeft / hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
6.2.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 11 oktober 2022.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zijn erfgenamen in de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt (eveneens hoofdelijk) de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [slachtoffer 7]
6.3.
Vordering [slachtoffer 7]
heeft € 60,- als vergoeding van materiële schade , en € 100,- als vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vorderingen af. Tijdens de zitting is gebleken dat de vorderingen betrekking hebben op schade die is geleden door de dochter van het slachtoffer, mevrouw [persoon A] , en niet rechtstreeks door de benadeelde partij zelf. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de vordering om die reden niet toewijsbaar is.
Benadeelde partij [slachtoffer 9]
6.5.
Vordering [slachtoffer 9]
heeft voor de feiten 1 en 2 € 4.376,99 als vergoeding van materiële schade en € 500,- als vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
6.6.
Oordeel van de rechtbank
6.6.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [slachtoffer 9] rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de vordering voor wat betreft de gepinde bedragen toewijsbaar is tot het bewezenverklaarde bedrag van de diefstal, te weten € 2.787,99. De vordering tot aan dat bedrag is onweersproken en op de wet gegrond. Daarnaast heeft de verdediging het gevorderde bedrag van € 89,00 voor de aanschaf van een videodeurbel niet betwist, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen. Dit betekent dat de verdachte in totaal € 2.876,99 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
6.6.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van hete strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. De benadeelde partij ervaart als gevolg van de strafbare feiten tot op de dag van vandaag gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 500,- als vergoeding van immateriële schade toe .
6.6.3.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een of meer mededader(s) gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de toe te kennen schadevergoeding (vermeerderd met de hierna te noemen wettelijke rente). Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft / hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
6.6.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 7 februari 2023.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, en die zij in de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt (eveneens) de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 43 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in paragraaf 2.2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in paragraaf 3.1 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 10 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
4 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich ambulant laat behandelen door organisatie Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is gericht op het opnieuw stabiliseren van praktische zaken, het psychosociaal functioneren en het sociale netwerk. De verdachte komt gedurende de behandeling zijn afspraken na en stelt zich begeleidbaar op;
3. de verdachte, voor zover het toezichttraject en/of het begeleidingstraject niet afdoende blijkt om gedragsverandering teweeg te brengen, gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
4. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;
5. de verdachte, indien uit het toezicht blijkt dat er aanwijzingen zijn voor de noodzaak van financiële begeleiding, gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 5 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 dagen;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s) aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van
€ 860,00als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 11 oktober 2022 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] aan de staat
€ 860,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2022 tot aan de dag van volledige betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een of meer mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft / hebben vergoed;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 7]
wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 9]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s) aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] , te betalen een bedrag van € 3.376,99, bestaande uit € 2.876,99 als vergoeding van materiële schade en € 500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 7 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering, bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 9] aan de staat
€ 3.376,99te betalen, en de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023 tot aan de dag van volledige betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
43 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een of meer mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 december 2025.
.

Voetnoten

1.Uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 oktober 2025