DJV, een onderneming actief in spoorwegveiligheid, vorderde in kort geding de naleving van een concurrentiebeding tegen haar voormalige werknemer, die was overgestapt naar een concurrerend bedrijf. Het concurrentiebeding verbood de werknemer om binnen 12 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in soortgelijke werkzaamheden bij een concurrent te werken.
De werknemer betwistte de vordering en stelde dat het concurrentiebeding hem onbillijk benadeelde. De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding bedoeld is ter bescherming van het bedrijfsdebiet van de werkgever, maar dat dit belang niet wordt geschaad door de overstap van de werknemer, die een uitvoerende functie had zonder toegang tot bedrijfsgevoelige informatie.
De kantonrechter achtte het waarschijnlijk dat het concurrentiebeding in een bodemprocedure geheel vernietigd zal worden wegens onbillijke benadeling van de werknemer. Daarom werd het concurrentiebeding geschorst en mocht de werknemer zijn werkzaamheden bij de concurrent voortzetten. De vorderingen van DJV tot staking en boete werden afgewezen en DJV werd veroordeeld in de proceskosten.