Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[verweerder 1],
[verweerder 2],
[verweerder 3],
[verweerder 4],
[verweerder 5],
1.De procedure
- het verzoekschrift van werkneemster, met bijlagen;
- het verweerschrift van werkgever, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
Werkneemster trad op 5 september 2022 in dienst bij een vennootschap onder firma met vier vennoten. De arbeidsovereenkomst werd op 8 oktober 2024 met terugwerkende kracht per 30 september 2024 opgezegd vanwege een conflict tussen werkgever en opdrachtgever. Werkneemster vorderde onder meer een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, billijke vergoeding, achterstallig loon en wettelijke verhoging.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was opgezegd omdat werkgever geen toestemming van het UWV had gevraagd en de opzegtermijn niet in acht had genomen. Werkneemster had geen eigen schuld aan het niet aannemen van nieuw werk. De gevorderde vergoedingen werden toegekend, waarbij de billijke vergoeding werd vastgesteld op 1,5 bruto maandsalaris vanwege de financiële situatie van werkgever.
Belangrijk was de vraag of de vennoten die per 1 september 2024 uit de vennootschap waren getreden, ook aansprakelijk waren voor de betalingsverplichtingen. De kantonrechter bevestigde dat deze uitgetreden vennoten hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst en het ontslag, ook voor bedragen die na hun uittreding zijn ontstaan.
De beschikking veroordeelde de vennootschap en de vier (voormalig) vennoten hoofdelijk tot betaling van het totaalbedrag van € 12.936,33, met wettelijke verhoging en rente, en tot betaling van de proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De v.o.f. en haar (voormalig) vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 12.936,33 bruto aan werkneemster met wettelijke verhoging en rente.