Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
Stichting Autoriteit Financiële Markten, de AFM
Inleiding
- namens verzoekster: haar gemachtigden, haar CFO [persoon 1] en haar Head of Legal & Compliance [persoon 2] ;
- namens de AFM: haar gemachtigden, haar (senior) toezichthouders [persoon 3] en [persoon 4] en meerdere toehoorders.
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Dit is het geval … als alleen wordt betaald als iemand daadwerkelijk klant wordt.”. Echter het tekstblok waarin deze passage staat, begint wel duidelijk met het leggen van een verband tussen het verstrekken van een vergoeding en het verlenen van een beleggingsdienst, namelijk met
“Vergoedingen die een beleggingsonderneming verstrekt voor het aanbrengen van klanten die in relatie staan met de beleggingsdienst, vallen onder het provisieverbod.”. Ook op andere plekken in de Leidraad is ditzelfde verband duidelijk gelegd.
In dit geval gaat de AFM niet over tot het opleggen van een formele maatregel.”. Deze brief ziet evenwel op de bij het verkennend onderzoek (0-meting) in 2021 geconstateerde overtredingen en de bestuurlijke boete ziet op andere perioden en op (deels) andere gedragingen (1-meting). Verzoekster heeft namelijk het Affiliateprogramma een maand na de normoverdragende brief aangepast. Uit de brief van 30 november 2021 blijkt geen toezegging of andere uitlating dat de AFM in toekomstige perioden op basis van dezelfde of vergelijkbare gedragingen geen bestuurlijke boete zal opleggen als verzoekster daarmee het provisieverbod overtreedt. In zoverre is het standpunt van verzoekster over nieuwe feiten en omstandigheden dan ook niet van belang. Ook de stelling van verzoekster dat er sprake is van tweemaal handhaven, kan de voorzieningenrechter daarom niet volgen.
Dank voor deze terugkoppeling”en bevat daarmee geen concrete uitlating over het gebruik van de boetebevoegdheid. Verder heeft de AFM ontkend dat zij met de door verzoekster doorgevoerde aanpassingen van het Affiliateprogramma heeft ingestemd of dat deze aanpassingen met haar zijn afgestemd. Van het overleg tussen partijen van 7 december 2021 is ook geen gespreksverslag gemaakt. Hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat verzoekster uit deze reactie van de AFM redelijkerwijs kon afleiden dat er geen bestuurlijke boete zou worden opgelegd. Dat het overleg van 24 januari 2022 ertoe heeft geresulteerd dat de AFM van oordeel was dat verzoekster het provisieverbod niet overtrad, blijkt niet uit het e-mailbericht van de AFM van 25 februari 2022. De enkele omstandigheid dat de AFM na publicatie van het Statement niet tegen verzoekster heeft gezegd dat zij haar Affiliateprogramma verder moet aanpassen, is evenmin voldoende om in het kader van het vertrouwensbeginsel als toezegging of andere uitlating of gedraging aan te merken.