ECLI:NL:RBROT:2025:4186

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
ROT 25/1923
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen loonsanctie UWV wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een door het UWV opgelegde loonsanctie, nadat haar bezwaar ongegrond was verklaard.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang dat het niet mogelijk maakte om de uitspraak in beroep af te wachten. Verzoekster stelde dat de loonsanctie een zware financiële last vormt en dat het lastig is om kosten terug te vorderen, wat kan leiden tot onomkeerbare financiële en organisatorische gevolgen. Tevens zou de WIA-procedure stagneren, wat de werknemer beperkt in re-integratie en aanspraak op uitkering.

De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf onvoldoende is voor een voorlopige voorziening en dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onomkeerbare noodsituatie. Ook het argument van een stagnerend arbeidsproces bood geen grond voor spoedeisend belang. Daarnaast is het besluit van het UWV niet evident onrechtmatig, omdat het een gemotiveerd standpunt heeft ingenomen over onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond af en werd geen voorlopige voorziening getroffen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de loonsanctie van het UWV wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1923

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2025 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit Barendrecht, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.S. van Dijk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een aan haar opgelegde loonsanctie.
1.1.
Met het primaire besluit van 10 april 2024 heeft het UWV aan verzoekster een loonsanctie opgelegd. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 heeft het UWV het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld [1] en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening.
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond afwijst, doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op bewaar of de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht. [2] De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Concreet betekent dit dat van verzoekster niet kan worden gevergd dat zij de uitspraak op het beroepschrift afwacht.
3. Verzoekster heeft daarover aangevoerd dat de opgelegde loonsanctie een zware en onredelijke financiële last is. Mocht later blijken dat de loonsanctie onrechtmatig was, is het volgens verzoekster lastig om deze kosten terug te vorderen omdat er geen directe verhaalmogelijkheid is tegen het UWV of de werknemer. Een aparte schadeprocedure tegen het UWV zorgt voor vertraging in de bedrijfsvoering door financiële en organisatorische beperkingen. Dit zorgt voor onomkeerbare gevolgen, zowel financieel en organisatorisch als in de verhouding tussen verzoekster en haar werknemer. Daarnaast wordt de WIA-procedure geblokkeerd waardoor de werknemer wordt beperkt in zijn re-integratiemogelijkheden en aanspraak op een WIA-uitkering, en het arbeidsproces stagneert.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Op grond van vaste rechtspraak vormt een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan anders zijn, indien aannemelijk is dat verzoekster zal komen te verkeren in een financiële noodsituatie. [3] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake zal zijn. Een eventueel onrechtmatig opgelegde loonsanctie betekent niet zonder meer dat niet alle schade kan worden vergoed. [4] Verzoekster heeft verder niet met stukken aannemelijk gemaakt dat met de opgelegde loonsanctie sprake zal zijn van een dusdanige onomkeerbare en/of financiële noodsituatie dat de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd verder geen grond voor het oordeel dat een mogelijk stagnerend arbeidsproces zorgt voor een spoedeisend belang. [5]
5. Nu verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het UWV evident onrechtmatig is. Het UWV heeft in het bestreden besluit een gemotiveerd standpunt ingenomen waarom verzoekster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het standpunt van het UWV evident onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op wat is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om nu een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer ROT 25/690
2.De wet spreekt ook wel van onverwijlde spoed, artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2021:713.
4.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:4875.
5.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2025:233.