ECLI:NL:RBROT:2025:4186
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen loonsanctie UWV wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een door het UWV opgelegde loonsanctie, nadat haar bezwaar ongegrond was verklaard.
De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang dat het niet mogelijk maakte om de uitspraak in beroep af te wachten. Verzoekster stelde dat de loonsanctie een zware financiële last vormt en dat het lastig is om kosten terug te vorderen, wat kan leiden tot onomkeerbare financiële en organisatorische gevolgen. Tevens zou de WIA-procedure stagneren, wat de werknemer beperkt in re-integratie en aanspraak op uitkering.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf onvoldoende is voor een voorlopige voorziening en dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onomkeerbare noodsituatie. Ook het argument van een stagnerend arbeidsproces bood geen grond voor spoedeisend belang. Daarnaast is het besluit van het UWV niet evident onrechtmatig, omdat het een gemotiveerd standpunt heeft ingenomen over onvoldoende re-integratie-inspanningen.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond af en werd geen voorlopige voorziening getroffen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de loonsanctie van het UWV wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.