ECLI:NL:RBROT:2025:4323
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflossingsbedrag AOW op grond van Wet vereenvoudiging beslagvrije voet
Eiseres betwist het door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vastgestelde aflossingsbedrag op haar AOW-uitkering, omdat zij meent dat de beslagvrije voet op basis van 95% van haar totale inkomen (AOW en pensioen) moet worden berekend in plaats van de bijstandsnorm. De SVB had het aflossingsbedrag vastgesteld op basis van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en hield rekening met een gewenningsregeling die de aflossing gefaseerd verhoogt.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit werd vernietigd en de SVB werd opgedragen opnieuw te beslissen. Het bestreden besluit van de SVB houdt rekening met recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de wetswijzigingen, waarbij de beslagvrije voet volgens de bijstandsnorm wordt berekend.
Eiseres voert aan dat het aflossingsbedrag te hoog en belastend is, en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelt echter dat de SVB de beslagvrije voet correct heeft berekend conform artikel 475da lid 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, en dat de verhoging van het aflossingsbedrag niet leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek tot terugbetaling van griffierecht af en kent geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak is gedaan door rechter H. Bedee op 11 april 2025.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het aflossingsbedrag op haar AOW-uitkering wordt ongegrond verklaard.