Eisers hebben een hekwerk aan de voorzijde van hun woning geplaatst, waarvan een deel zonder omgevingsvergunning is opgericht. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde hen daarom een last onder dwangsom op. Eisers voerden aan dat handhaving onevenredig is vanwege het gemeentelijk handhavingsbeleid, het gelijkheidsbeginsel, en hun medische situatie.
De rechtbank oordeelt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om van handhaving af te zien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eisers geen inzage gaven in vertrouwelijke stukken die het bestaan van een belanghebbende melder bevestigen. De medische verklaring van een GZ-psycholoog biedt onvoldoende grond om handhaving te weigeren.
De overtreding betreft een forse afwijking van de toegestane hoogte van het hekwerk en is daarom niet gering. Het algemeen belang bij handhaving weegt zwaarder dan de persoonlijke omstandigheden van eisers. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de last onder dwangsom blijft gehandhaafd en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.