ECLI:NL:RBROT:2025:5069
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling dwangsom wegens te late besluitvorming UWV
Eiseres diende op 19 maart 2024 een Wet WIA-aanvraag in bij het UWV. Na het niet tijdig beslissen stelde de gemachtigde van eiseres het UWV op 15 mei 2024 in gebreke. Het UWV stuurde het besluit op 27 juni 2024 aan eiseres en op 2 juli 2024 aan haar gemachtigde, die het op 5 juli 2024 ontving. Het UWV legde een dwangsom van €812 op wegens de te late besluitvorming, berekend tot en met 27 juni 2024.
Eiseres stelde dat de dwangsom tot 5 juli 2024 had moeten lopen, omdat het besluit pas bekend was bij ontvangst door haar gemachtigde. De rechtbank oordeelde dat de bekendmaking van het besluit volgens artikel 3:41 Awb Pro plaatsvindt door toezending aan de aanvrager, wat hier op 27 juni 2024 gebeurde. De dwangsom is daarom terecht berekend tot die datum.
De rechtbank verwierp het beroep en wees erop dat de verwijzing naar eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep niet tot een ander oordeel leidt, omdat in die zaken de verzenddatum niet vaststond. De rechtbank bevestigde dat artikel 6:17 Awb Pro de procedurele belangen van de gemachtigde beschermt, maar niet de termijn voor de dwangsom beïnvloedt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiseres geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter G.B. Plomp op 29 april 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de dwangsom van €812 door het UWV wordt ongegrond verklaard.