Werknemer, sinds 2019 in dienst bij een vennootschap onder firma actief in zonnepaneleninstallatie, werd in juni 2022 arbeidsongeschikt door een bedrijfsongeval. Hij vordert betaling van achterstallig loon en vakantietoeslag over de periode tot juni 2024, inclusief wettelijke verhoging. Werkgever betwist contante loonbetalingen en stelt dat het dienstverband in maart 2024 eindigde.
De kantonrechter oordeelt dat het dienstverband niet geëindigd is in maart 2024 en dat werkgever loonverplichtingen had tot juni 2024. De vorderingen voor het onbetwiste deel van het loon en vakantietoeslag worden toegewezen met een gematigde wettelijke verhoging van 20%. Voor het betwiste deel over contante betalingen krijgt werknemer een bewijsopdracht.
De vordering van werkgever tot terugbetaling van een lening aan werknemer wordt afgewezen, omdat werknemer aannemelijk heeft gemaakt dat hij de lening volledig heeft terugbetaald. De proceskosten in reconventie worden aan werkgever opgelegd. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.