De zaak betreft een bestuurlijke boete van €1.500,- opgelegd aan eiseres voor het vervoeren van een varken dat niet geschikt was voor transport omdat het niet pijnloos kon bewegen. De overtreding werd vastgesteld door een toezichthouder van de NVWA tijdens regulier toezicht in februari 2022. Eiseres betwistte de overtreding en voerde aan dat het varken niet van haar was en dat voorafgaand aan het transport correct was gecontroleerd.
De rechtbank oordeelt dat de bevindingen van de deskundige toezichthouder betrouwbaar zijn en dat eiseres als vervoerder verantwoordelijk is voor het vervoer van het ongeschikte dier. Het bezwaar dat eiseres niet als overtreder kan worden aangemerkt, wordt verworpen. Ook het beroep op het ne bis in idem-beginsel faalt omdat slechts één boete is opgelegd na intrekking van een eerdere beslissing.
Hoewel de redelijke termijn voor de uitspraak niet is overschreden, is de termijn tussen het rapport van bevindingen en het opleggen van de boete met 63 weken aanzienlijk langer dan de wettelijk voorgeschreven 13 weken. De rechtbank matigt daarom de boete met 10%, stelt deze vast op €1.350,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.