Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 oktober 2024 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [plaats] , ( [naam 1] )
[naam 1]
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur,
Procesverloop in hoger beroep
[naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] en namens de minister [naam 6] .
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
11 maart 2021, de dag waarop de minister [naam 1] heeft medegedeeld van plan te zijn om haar een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van de Wet dieren, de Regeling dierlijke producten en Verordening 853/2004 (het boetevoornemen).Het College ziet in wat [naam 1] aanvoert geen aanleiding om hiervan af te wijken. Anders dan [naam 1] meent, levert de enkele aanzegging van een rapport nog geen ‘criminal charge’ op. Het College onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 8.1 en 8.2 van de aangevallen uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank hierover en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne.
3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de verzoeken om matiging in verband met overschrijding van de redelijke termijn gelijktijdig ter zitting zijn behandeld. De kosten voor de aan [naam 1] verleende rechtsbijstand voor het indienen van het verzoek om matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn en het bijwonen van de zitting, zijn al voor vergoeding in aanmerking gebracht in de procedure met zaaknummer ROT 21/2988. De uitspraak in die zaak ligt nu echter niet ter beoordeling voor. Dit betekent dat het College daarover in deze zaak geen uitspraak kan doen.
Beslissing
29 oktober 2024.