Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2019 op het hoger beroep van:
[naam 1] N.V. ( [naam 1] ), te [plaats] , appellante
(gemachtigden: mrs. S.M.C. Nuijten, mr. L.J. Silverentand en D.G. von Königslöw),
appellante
en
Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM)
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Appellante is van mening dat het PwC-rapport niet het bewijs kan leveren dat de in de reclame-uitingen getoonde rendementen niet representatief waren voor de door cliënten gerealiseerde rendementen (grond 8). Appellante betoogt verder dat de opzet-onafhankelijke invulling van de kwalificatie ‘misleiding’ onjuist is (grond 3). Volgens appellante sluiten de voorbeeldportefeuilles aan bij de positie van nieuwe klanten (grond 2). Appellante handhaaft haar standpunt dat AFM in het bestreden besluit heeft beschreven wat wel in de reclame-uitingen had moeten staan (grond 4). Appellante meent dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de omstandigheid dat AFM in het bestreden besluit een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat bij de beoordeling niet van de gemiddelde klant moet worden uitgegaan (grond 5). Appellante herhaalt haar standpunt dat de informatie die in het kader van de klantacceptatie is verstrekt, relevant is voor het antwoord op de vraag of artikel 4:19, tweede lid, van de Wft is overtreden (grond 7). Volgens appellante heeft AFM met ‘hindsight bias’ geoordeeld (grond 6).
the right not to incriminate oneself presupposes that the prosecution in a criminal case seek to prove their case against the accused without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused’,vgl. EHRM 17 december 1996 ‘Saunders’(zaaknr. 43/1994/490/572), NJ 1997, 699 en 16 juni 2015 ‘Van Weerelt’ (zaaknr. 784/14) ECLI:CE:ECHR:2015:0616DEC00078414).
Beslissing
- herroept het primaire besluit van 1 juli 2016 in zoverre;
- legt appellante een boete op van € 625.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 28 december 2016;
- draagt AFM op het betaalde griffierecht van in totaal € 842,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt AFM in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.608,-.