Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:7644

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
30 juni 2025
Zaaknummer
ROT 23/6590
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:7 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:9 lid 2 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:11 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tijdigheid bezwaar tegen BIZ-aanslag en vergoeding griffierecht

Eiseres maakte bezwaar tegen een BIZ-aanslag van € 500,- voor het jaar 2023, opgelegd door de heffingsambtenaar. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De rechtbank onderzocht of dit oordeel terecht was, waarbij de termijn voor het indienen van het bezwaar zes weken na dagtekening van de aanslag was.

Eiseres stelde dat het bezwaar tijdig was verzonden, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar niet tijdig was ingediend. Wel oordeelde de rechtbank dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig had gehandeld door niet te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding, maar dat dit geen ander resultaat in de bezwaarprocedure zou hebben gegeven.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, maar bepaalde dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres moest vergoeden. De rechtbank kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar zelf.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard, maar het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2025 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
[naam verweerder]
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 13 september 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres voor het jaar 2023 een BIZ-aanslag van € 500,- opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [persoon A] (hierna: [persoon A] ), de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [persoon B] , woz-taxateur.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten
2. Voor het belastingjaar 2023 heeft de heffingsambtenaar met dagtekening 31 mei 2023 aan eiseres een BIZ-aanslag van € 500,- opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bij brief met dagtekening 21 juni 2023 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft deze brief op 1 augustus 2023 ontvangen. In het dossier bevindt zich een brief van 27 juli 2023, waarin [persoon A] onder meer schrijft:
Bij deze stuur ik u het bezwaar nogmaals toe ik heb deze eerder verzonden maar kreeg een
herinnering van u deze zag ik bij terug komst van vakantie.
3. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat hij het bezwaarschrift pas op 1 augustus 2023 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft eind juli 2023 een betalingsherinnering naar eiseres verstuurd.

Tijdigheid van het bezwaar

4. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet is ingediend.
5. Dit betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de heffingsambtenaar het bezwaar inderdaad niet-ontvankelijk kon verklaren. Daarbij geldt het volgende.
5.1
Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag, in dit geval 31 mei 2023, worden ingediend [1] . Als het per post is ingediend moet het voor het einde van de termijn op de post zijn gedaan [2] Voor deze zaak betekent dat dat het bezwaarschrift van eiseres uiterlijk 12 juli 2023 op de post moet zijn gedaan. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat een stuk tijdig op de post is gedaan, als het uiterlijk twee werkdagen na afloop van de termijn is ontvangen [3] . In dit geval is dat dan vrijdag 14 juli 2024. Dat is echter niet het geval. Dan moet eiseres aannemelijk maken dat het bezwaarschrift desondanks uiterlijk 12 juli 2023 op de post is gedaan.
5.2
Ter zitting heeft [persoon A] verklaard dat hij sinds 2017 contact heeft met de gemeente en de heffingsambtenaar over de BIZ en dat hij elke keer tijdig reageert. Er is geen reden om aan te nemen dat er dit keer niet tijdig bezwaar is gemaakt. [persoon A] wijst erop dat hij geen zicht heeft op wat er bij de post is gebeurd. Bewijs dat hij het bezwaarschrift op de post heeft gedaan, heeft hij niet. Wel verstuurt hij voorstaan alle post aangetekend, om problemen te voorkomen.
5.3
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bewijstukken heeft van het op de post doen van het bezwaarschrift. Dat er al sinds 2017 contact is tussen de heffingsambtenaar en [persoon A] en dat eiseres eerder altijd tijdig heeft gereageerd is geen bewijs van het feit dat het bezwaarschrift in deze zaak op tijd op de post is gedaan. Dit betekent dat er vanuit moet worden gegaan dat het bezwaar niet tijdig is ingediend.
5.4
Als een bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, wordt het bezwaar toch niet niet-ontvankelijk verklaard als daarvoor een geldige reden is. [4] Daarvan is hier niet gebleken.
De heffingsambtenaar had echter wel naar de reden van het te laat indienen van het bezwaar moeten vragen [5] . Dat is niet gebeurd, wat onzorgvuldig is. Tijdens de beroepsprocedure heeft eiseres echter wat zij hierover wilde zeggen wel naar voren kunnen brengen. Aangenomen mag worden dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet anders was geweest als eiseres in bezwaar wel naar de reden van de termijnoverschrijding was gevraagd. In zo’n geval kan het onzorgvuldig handelen tijdens de bezwaarfase worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Wel moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden, zoals ook al door hem aangeboden.
6. Omdat de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk kon verklaren, vanwege het te laat indienen van bezwaar, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Wat de heffingsambtenaar daarover in de uitspraak op bezwaar van 13 september 2023 heeft gezegd, kan de rechtbank daarom niet toetsen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase onzorgvuldig heeft gehandeld krijgt eiseres het betaalde griffierecht terug. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in combinatie met artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2461
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Zie het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595