ECLI:NL:RBROT:2025:8818
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ambtshalve uitschrijving uit de basisregistratie personen na adresonderzoek
Eiser was ingeschreven op een adres in [plaats 1], maar het college schreef hem ambtshalve uit de basisregistratie personen (brp) per 7 mei 2024. Dit volgde op een uitgebreid adresonderzoek naar aanleiding van een melding van overlast en huisbezoeken waarbij eiser niet werd aangetroffen op het brp-adres, terwijl andere personen daar verbleven. Eiser stelde dat hij wel degelijk op dat adres woonde en leverde onder meer bankafschriften aan.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht gerede twijfel had over het verblijf van eiser op het brp-adres. Het adresonderzoek toonde aan dat eiser voornamelijk transacties verrichtte in [plaats 2], waar hij ook vermoedelijk woonde. Huisbezoeken aan het brp-adres en het vermoedelijke woonadres bevestigden deze bevindingen. Eiser kon niet aannemelijk maken dat hij in de periode in geding op het brp-adres woonde.
Het college heeft daarmee voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.22, eerste lid, Wet brp, en de uitschrijving is zorgvuldig en grondig uitgevoerd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ambtshalve uitschrijving. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de ambtshalve uitschrijving uit de basisregistratie personen wordt bevestigd.