14.2.De AFM heeft op 30 juni 2023 het voornemen tot het opleggen van de drie bestuurlijke boetes aan [eiseres] bekend gemaakt en deze uitspraak dateert van 29 januari 2026. De AFM en de rechtbank hebben dus twee jaar en ruim zes maanden over de behandeling van de boetezaken gedaan. De redelijke termijn is dan ook met ruim zes maanden overschreden. Als de behandeling van een boetezaak meer dan zes maanden, maar minder dan twaalf maanden te lang heeft geduurd, leidt dat tot een verlaging van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,-. De rechtbank volgt hierbij de uitspraak van het CBb van 30 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:353, overweging 10.5. Het voorgaande betekent dat alle drie de boetes worden verlaagd met € 2.500,-. De boetes van € 31.000,- worden beide verlaagd tot € 28.500,- en de boete van € 94.000,- wordt verlaagd tot € 91.500,-. Het totaalbedrag van de boetes wordt daarmee € 148.500,-. 15. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten slechts vernietigen voor zover het de hoogte van de opgelegde boetes betreft. De rechtbank zal gelet op artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien door de boetebesluiten te herroepen voor zover het de hoogte van de boetes betreft, de hoogte van de boetes voor overtreding 1 en 3 vast te stellen op € 28.500,- per overtreding en voor overtreding 2 op € 91.500,-. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten.
16. Omdat de door [eiseres] aangevoerde beroepsgronden niet slagen, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel moet de AFM, gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, in elke zaak het door [eiseres] betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 6 juni 2024 op het punt van de boetehoogte;
- herroept de boetebesluiten van 29 december 2023 op het punt van de boetehoogte;
- stelt de boetes voor de overtredingen 1 en 3 vast op elk € 28.500,-;
- stelt de boete voor overtreding 2 vast op € 91.500,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeeltes van de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de AFM de door [eiseres] betaalde griffierechten, in totaal € 1.113,-, aan [eiseres] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, mr. R.J.P. Ferwerda en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
Griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: