ECLI:NL:RBROT:2026:1037

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11730412 VZ VERZ 25-4055
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 2 aanhef en onder a BWArt. 3:303 BWArt. 19 ZiektewetArt. 29 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding procedure over loondoorbetaling bij langdurige ziekte pgb-zorgverlener

Verzoekster, een pgb-zorgverlener die minder dan vier dagen per week werkt, heeft zich ziek gemeld en vond dat zij recht had op 104 weken loondoorbetaling tijdens ziekte. Verweerder, haar werkgever en pgb-budgetvertegenwoordiger, betaalde echter slechts zes weken loon door, conform de Regeling Dienstverlening aan Huis. Verzoekster stelde dat de verkorte loondoorbetaling indirecte discriminatie op grond van geslacht inhoudt en in strijd is met Europees recht.

De kantonrechter oordeelde dat partijen onvoldoende belang hebben bij beantwoording van de vraag of de verkorte loondoorbetaling buiten toepassing moet blijven, omdat verzoekster waarschijnlijk recht heeft op een Ziektewetuitkering. Dit volgt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 maart 2023, die oordeelde dat pgb-zorgverleners niet mogen worden uitgesloten van verplichte werknemersverzekeringen.

De procedure wordt aangehouden om verzoekster de gelegenheid te geven een Ziektewetuitkering aan te vragen bij het UWV. Zodra het UWV een beslissing heeft genomen, kan verzoekster dit aan de kantonrechter melden, waarna verweerder schriftelijk kan reageren. De kantonrechter wijst erop dat financieel gezien verzoekster weinig verschil ondervindt tussen loondoorbetaling en een Ziektewetuitkering, omdat beide 70% van het loon dekken.

De zaak betreft de toepassing van artikel 7:629 lid 2 aanhef Pro en onder a BW en de Regeling Dienstverlening aan Huis, waarbij de wetgever een wetsvoorstel heeft ingediend om de rechten van pgb-zorgverleners te verbeteren met terugwerkende kracht per 1 januari 2026.

Uitkomst: De procedure wordt aangehouden om verzoekster de gelegenheid te geven een Ziektewetuitkering aan te vragen, waarna de procedure kan worden voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11730412 VZ VERZ 25-4055
datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter op grond van artikel 96 Rv Pro
in de zaak van
[verzoekster] ,
woonplaats: Huizen,
verzoekster,
gemachtigden: mrs. L.M. Wezenbeek en L.J.P. van der Werf,
en
[verweerder] ,
woonplaats: Haarlem,
verweerder,
gemachtigde: mr. dr. E.J.A. Franssen.
De partijen worden hierna ‘verzoekster’ en ‘verweerder’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoek van verzoekster, met bijlagen;
  • het verweer van verweerder;
  • de schriftelijke reactie van verzoekster, met bijlage;
  • de schriftelijke reactie van verweerder.
1.2.
Op verzoek van de partijen hebben zij hun standpunten schriftelijk naar voren gebracht en heeft geen zitting plaatsgevonden.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Verzoekster is een pgb-zorgverlener. Zij heeft op basis van een arbeidsovereenkomst op minder dan vier dagen per week zorg verleend aan haar meervoudige gehandicapte neef, de zoon van verweerder. Verweerder is de pgb-budgetvertegenwoordiger en bewindvoerder. Inmiddels is hij ook erfgenaam, aangezien zijn zoon is overleden. Verzoekster valt onder de Regeling Dienstverlening aan Huis. Verzoekster werd via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) betaald vanuit het persoonsgebonden budget (hierna: pgb) van haar neef. Verzoekster heeft zich op 27 september 2023 ziek gemeld. De eerste zes weken na de ziekmelding is het loon aan verzoekster doorbetaald. Daarna is de loonbetaling gestopt.
Verzoekster vindt dat zij niet zes maar 104 weken recht heeft op loon (70%). Volgens verzoekster is sprake van verboden indirecte discriminatie op grond van geslacht en is de wettelijke bepaling op grond waarvan zij tijdens ziekte maar zes weken recht heeft op loon in strijd met Europees en Internationaal recht. Volgens verzoekster bestaat hiervoor geen objectieve rechtvaardiging. Daarom moet de bepaling buiten toepassing blijven en heeft zij op grond van de hoofdregel tijdens ziekte recht 104 weken recht op loon.
Verweerder is het hiermee niet eens. Volgens hem is geen sprake van indirecte discriminatie op grond van geslacht. Maar als dat toch zo is, bestaat hier volgens hem een objectieve rechtvaardiging voor. Verweerder voert ook aan dat verzoekster in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering. Verweerder vindt dat de bepaling over de verkorte loondoorbetalingsperiode geldig is en dat hij na zes weken ziekte het loon niet langer hoeft door te betalen.
De kantonrechter vindt dat partijen op dit moment onvoldoende belang hebben bij het antwoord op de vraag of de verkorte loondoorbetaling tijdens ziekte buiten toepassing moet blijven, omdat sprake zou zijn van indirecte discriminatie op grond van geslacht. De reden is dat verzoekster waarschijnlijk recht heeft op een Ziektewetuitkering. Dit wordt hierna uitgelegd.
Het gezamenlijk verzoek van partijen
2.2.
Partijen hebben zich op grond van artikel 96 Rv Pro samen tot de kantonrechter gewend met het verzoek een oordeel te geven over de volgende vragen:
“1. Levert de Regeling dienstverlening aan huis, en meer specifiek artikel 7:629 lid 2 aanhef Pro en onder a BW, verboden indirecte discriminatie voor vrouwen op en zou deze Regeling
dientengevolge buiten toepassing moeten worden gelaten voor verzoekster?
2. Indien de Regeling dienstverlening aan huis, en meer specifiek artikel 7:629 lid 2 aanhef Pro en onder a BW, inderdaad verboden indirecte discriminatie voor vrouwen oplevert en
dientengevolge buiten toepassing zou moeten worden gelaten voor verzoekster, is dan de
hoofdregel van artikel 7:629 lid 1 BW Pro van toepassing op verzoekster met als gevolg dat zij recht heeft op een bedrag ter hoogte van EUR 13.694,06, vermeerderd met de wettelijke
rente en wettelijke verhoging vanaf de datum dat verweerder de loondoorbetaling aan
verzoekster heeft beëindigd (8 november 2023)?”
2.3.
Partijen hebben zich de mogelijkheid van hoger beroep voorbehouden.
Wat beslist de kantonrechter?
2.4.
De kantonrechter zal de gestelde vragen nog niet beantwoorden. De kantonrechter houdt de zaak aan. De reden hiervoor is als volgt.
Onvoldoende belang bij beantwoording van de vragen
2.5.
De vraag of de bepaling over de verkorte loondoorbetaling tijdens ziekte buiten toepassing moet blijven omdat sprake zou zijn van indirecte discriminatie op grond van geslacht, wordt op dit moment nog niet beantwoord. De kantonrechter vindt dat partijen hierbij op dit moment onvoldoende belang hebben [1] . Zoals verweerder aanvoert, heeft verzoekster waarschijnlijk recht op een uitkering op grond van de Ziektewet. Dat is het gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 maart 2023 [2] .
Verkorte loondoorbetaling voor huishoudelijk werkers en pgb zorgverleners
2.6.
In de wet staat dat een huishoudelijke hulp of zorgverlener in dienst van een particulier, die op minder dan vier dagen per week werkt (zoals verzoekster als pgb-zorgverlener), bij ziekte recht heeft op zes weken loon (70%) [3] . Voor ‘gewone’ werknemers is dat 104 weken. [4] De wettelijke bepaling waarin deze uitzondering is geregeld, hoort bij de Regeling Dienstverlening aan Huis (‘de Regeling’). Door deze Regeling hebben deze werknemers minder arbeidsrechtelijke bescherming dan ‘gewone’ werknemers. De Regeling is in de rechtspraak herhaaldelijk ter discussie gesteld.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep over de Regeling
2.7.
De Centrale Raad van Beroep heeft op 30 maart 2023 [5] geoordeeld dat pgb-zorgverleners die onder de reikwijdte van de Regeling vallen niet mogen worden uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Werkloosheidswet (WW). Het uitsluiten van deze groep levert volgens de Centrale Raad van Beroep indirecte discriminatie van vrouwen op, omdat de uitzonderingsbepaling een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft. De uitzonderingsbepaling is daarmee in strijd met artikel 4 van Pro de Derde Richtlijn [6] . Dit is volgens de Europese rechtspraak alleen toelaatbaar als de uitzonderingsbepaling objectief gerechtvaardigd is vanuit niet-discriminerende overwegingen. Volgens de Centrale Raad van Beroep is er wel een legitiem doel, namelijk het stimuleren van de arbeidsmarkt voor persoonlijke dienstverlening en het voorkomen van illegale arbeid. Maar het gekozen middel om dat doel te bereiken is naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep in het geval van pgb-dienstverlening niet geschikt en noodzakelijk.
Wetsvoorstel aanpassing Regeling
2.8.
Door deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 13 mei 2025 een wetsvoorstel [7] ingediend om de Regeling te veranderen. Het doel van de nieuwe wet is alle pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst, die doorgaans minder dan vier dagen per week werken, dezelfde rechten te geven als werknemers die niet onder de Regeling vallen. Dat geldt zowel voor de sociale zekerheid als de andere rechten die in de Regeling worden beperkt, zoals het recht op loon bij ziekte. De bedoeling is dat de wet met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 in werking treedt.
2.9.
De Minister verwijst in de toelichting op het wetsvoorstel naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin is geoordeeld dat de betrokken pgb-zorgverlener niet mag worden uitgesloten van de verplichte WW-verzekering, én dat UWV de gewerkte jaren als pgb-zorgverlener alsnog moet opnemen in het arbeidsverleden [8] . Volgens de Minister geldt dat naar analogie van die uitspraak ook voor de overige werknemersverzekeringen, zoals de Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De huidige wetgeving is volgens de Minister niet in lijn met deze uitspraak en moet daarom worden aangepast.
De gevolgen voor verzoekster
2.10.
Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, krijgen pgb-zorgverleners die onder de Regeling vallen (zoals verzoekster) tijdens ziekte recht op 104 weken loon. Maar zoals verzoekster terecht stelt, heeft zij niets aan de nieuwe wet. Volgens het wetsvoorstel gaan de nieuwe regels namelijk pas gelden vanaf 1 januari 2026. Omdat verzoekster al in 2023 ziek werd en de periode van 104 weken is geëindigd in september 2025, gelden voor haar nog de oude regels.
2.11.
Toch heeft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarschijnlijk wel gunstige gevolgen voor verzoekster. Want uit de toelichting op het wetsvoorstel blijkt dat UWV te kennen heeft gegeven de uitspraak van de Centrale Raad ook toe te passen op de Ziektewet. In de praktijk geeft UWV al met terugwerkende kracht tot 16 december 2021 uitvoering aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De groep pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst die onder de Regeling vallen, worden met ingang van deze datum als verplicht verzekerd aangemerkt voor de werknemersverzekeringen en hun geregistreerde arbeidsverleden wordt gecorrigeerd. Deze pgb-zorgverleners kunnen naar de kantonrechter begrijpt dus al een uitkeringsaanvraag indienen, met terugwerkende kracht tot 16 december 2021 [9] .
2.12.
Voor verzoekster betekent dit dat zij aansluitend op de periode van zes weken waarin verweerder het loon heeft doorbetaald, mogelijk dus recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet [10] . Het argument van verzoekster dat UWV geen Ziektewetuitkering zal toekennen omdat verweerder verplicht is het loon gedurende 104 weken door te betalen en die loonbetalingsplicht prevaleert [11] , gaat niet op. Uit de huidige wet volgt deze verplichting immers niet, dus daarvan zal pas sprake zijn als de kantonrechter een loondoorbetalingsverplichting heeft aangenomen. De nieuwe wet, waarin de verplichting om 104 weken loon door te betalen staat, zal pas ingaan als de wet wordt aangenomen. Zoals het wetsvoorstel er nu uitziet geldt die verplichting dan vanaf 1 januari 2026. De loonvordering van werkneemster gaat over een eerdere periode, te weten van 8 november 2023 tot 27 september 2025.
2.13.
Voor verzoekster maakt het financieel niet of nauwelijks uit: zij krijgt in beide situaties (nagenoeg) hetzelfde bedrag. Of zij nu een Ziektewetuitkering [12] ontvangt of dat verweerder haar pgb-loon doorbetaalt, zij heeft recht op 70% van haar loon [13] .
2.14.
In het kort: verzoekster heeft waarschijnlijk al een goed vangnet onder de Ziektewet. Daarom vindt de kantonrechter op dit moment dat partijen onvoldoende belang hebben bij een antwoord op de vraag of de wettelijke bepaling over de kortere loonbetaling buiten toepassing moet blijven.
2.15.
De procedure wordt daarom aangehouden om verzoekster de gelegenheid te geven een Ziektewetuitkering aan te vragen bij UWV. Zodra UWV heeft beslist op de uitkeringsaanvraag van verzoekster, mag verzoekster aan de kantonrechter laten weten wat de beslissing is en welke gevolgen dit volgens haar heeft voor deze procedure. Verweerder mag daarna schriftelijk reageren.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
houdt de procedure aan om verzoekster de gelegenheid te geven met terugwerkende kracht een Ziektewetuitkering aan te vragen bij UWV;
3.2.
bepaalt dat zodra UWV heeft beslist op de uitkeringsaanvraag van verzoekster, verzoekster zich schriftelijk mag uitlaten over de inhoud van die beslissing en over de gevolgen die deze beslissing volgens haar heeft voor deze procedure, waarna verweerder hierop schriftelijk mag reageren;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
34650

Voetnoten

1.Artikel 3:303 Burgerlijk Pro Wetboek
2.CRvB 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:481
3.Artikel 7:629 lid 2 aanhef Pro en onder a Burgerlijk Wetboek
4.Op grond van artikel 7:629 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek
5.CRvB 30 maart 2023, ECLl:NL:CRVB:2023:481 r.o. 4.3.
6.Richtlijn 79/7/EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid van 19 december 1978.
7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 2
8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 3, p. 2 (MvT)
9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 3, p. 20 en 42 (MvT)
10.Artikel 19 Ziektewet Pro
11.Artikel 29 Ziektewet Pro
12.Artikel 29a Ziektewet. Het dagloon is gebaseerd op wat verzoekster gemiddeld verdiende in het jaar voor haar ziekte.
13.Artikel 7:629 lid 1 BW Pro