Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor was- en slijtagekosten van kleding en beddengoed. Het college kende aanvankelijk een bedrag toe op basis van een medisch advies, maar verklaarde het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond. Eiser stelde dat het medisch advies onvolledig en onzorgvuldig was en dat hij recht had op een hoger bedrag vanwege zijn medische situatie.
De rechtbank oordeelde dat het college mocht afgaan op het medisch advies, waarin de arts had vastgesteld dat eiser onder 50% van categorie 3 viel, en dat er geen concrete aanwijzingen waren die twijfel aan de zorgvuldigheid of inhoud van het advies rechtvaardigden. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij hogere kosten had dan het toegekende bedrag.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter M.V. van Baaren op 17 februari 2026.