Eiseres, een alleenstaande vrouw met een WIA-uitkering, verhuisde in mei 2024 naar Rotterdam en vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten. De aanvraag voor stofferingskosten werd aanvankelijk afgewezen, waarna het college een gedeeltelijke toekenning deed van €1.200,- op basis van de Globaliseringstabel in de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024.
Eiseres betoogde dat dit bedrag onvoldoende was vanwege hogere werkelijke kosten en prijsstijgingen, en dat het college ten onrechte geen gebruik maakte van haar afwijkingsbevoegdheid. De rechtbank oordeelde dat het college forfaitaire bedragen mag hanteren en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het toegekende bedrag ontoereikend was.
De rechtbank nam mee dat eiseres geen offertes over de volledige stoffering had overlegd en dat er goedkopere alternatieven mogelijk zijn. Ook was onvoldoende onderbouwd waarom zij geen stoffering uit haar vorige woning kon meenemen of een vergoeding kon vragen aan de opvolgende huurder.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, dat eiseres geen recht heeft op een hoger bedrag of terugbetaling van griffierecht en proceskosten, en bevestigde het bestreden besluit van het college.