ECLI:NL:CRVB:2025:488
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten achterstallige huur na sluiting woning
Appellant, die bijstand ontving op grond van de Participatiewet, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van achterstallige huur vanaf 19 oktober 2020. Deze datum valt samen met de sluiting van zijn woning door de burgemeester op grond van de Opiumwet en de ontbinding van de huurovereenkomst door de woningbouwvereniging.
Hoewel appellant later door de strafrechter werd vrijgesproken en de sluiting van de woning onterecht bleek, oordeelde het college dat hij vanaf 19 oktober 2020 geen huurder meer was en daarom geen huur verschuldigd was. De rechtbank bevestigde dit standpunt en wees de aanvraag af.
In hoger beroep voerde appellant geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank konden wijzigen. De Raad voegde toe dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten en dat het evenredigheidsbeginsel hier niet van toepassing is vanwege het dwingende karakter van artikel 35, lid 1, van de Participatiewet.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van de aanvraag en wees de vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor achterstallige huur is terecht afgewezen omdat appellant sinds sluiting woning geen huurder meer was.