ECLI:NL:RBROT:2026:1604

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
10/171098-25 en UTL-I-2025005267
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 1 EUVArt. 2 EUVArt. 2 UitleveringswetArt. 5 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering aan Turkije voor tenuitvoerlegging gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van Turkije tot uitlevering van een persoon ter tenuitvoerlegging van een onherroepelijk strafvonnis van 16 jaar en 8 maanden gevangenisstraf wegens import van verdovende middelen.

De verdediging voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege een voltooide schending van artikel 3 EVRM Pro (verbod op foltering) tijdens detentie in Turkije, onderbouwd met foto’s en rapporten over mishandeling in Turkse gevangenissen. De rechtbank oordeelde dat de onderbouwing onvoldoende was om met zekerheid vast te stellen dat de mishandelingen hebben plaatsgevonden en verwierp dit verweer.

Daarnaast stelde de verdediging dat er geen strafrestant meer is omdat de opgeëiste persoon de straf al zou hebben uitgezeten. De rechtbank concludeerde dat er nog een strafrestant van 10 jaar en 2 maanden resteert en verwierp ook dit verweer.

De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar, wees het verzoek tot aanhouding van de behandeling af en bracht in haar advies aan de Minister onder meer onder de aandacht dat garanties moeten worden verlangd dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan foltering of onmenselijke behandeling na uitlevering.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering aan Turkije toelaatbaar voor tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en wijst verweren af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
UTL-nummer: UTL-I-2025005267
Parketnummer: 10/171098-25
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Uitspraakvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ( Turkije ),
van Turkse nationaliteit,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1.Procedure

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 7 maart 2025 van de ambassade van de Republiek Turkije aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering tot tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf gedaan en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief van 18 maart 2025 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 4 juni 2025 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.
Op 15 december 2025 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:
  • de officier van justitie, mr. E.M. ter Braak;
  • de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.
Het onderzoek op de zitting is, na onderbreking daarvan, gesloten op de zitting van 19 januari 2026.

2.Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis van de 4e Meervoudige Kamer voor Strafzaken te Istanbul Anatolië (‘Îstanbul Anadolu 4. Ağir Ceza Mahkemesi’) van 13 mei 2016 in de zaak met dossiernummer 2016/18, met beslissingnummer 2016/168. Dit vonnis is door de 20e Strafkamer van het Hof van Cassatie bij arrest van 5 februari 2019, met correctie van een zinsnede in de beslissing tot verbeurdverklaring van verdovende middelen, bekrachtigd. Daarmee is het vonnis onherroepelijk geworden en voor tenuitvoerlegging vatbaar.
De opgeëiste persoon is bij voornoemd strafvonnis veroordeeld voor de import van verdovende of stimulerende middelen, dat strafbaar is gesteld in artikel 188, lid 1 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237. Met toepassing van strafvermindering op grond van artikel 62 van Pro het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237, is voor dit feit aan hem (voor zover relevant) een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en 8 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 63 van Pro het Turkse Strafwetboek nr. 5237.
Van een gedeelte van dit strafvonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

3.Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

4.Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

5.Genoegzaamheid van de stukken

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht en het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon.
De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 van Pro de Uitleveringswet.

6.Dubbele strafbaarheid

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Ter zake van dat feit kan ingevolge die bepalingen een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar. Bij voormeld strafvonnis van 13 mei 2016 van de 4e Meervoudige Kamer voor Strafzaken te Istanbul Anatolië is ter zake van dat feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en 8 maanden.
Ook naar Nederlands recht is het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als: (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A gegeven verbod, strafbaar gesteld in (artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafvordering in verbinding met) artikel 2 in Pro verbinding met artikel 10 van Pro de Opiumwet. Voor dit feit kan naar Nederlands recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste een jaar worden opgelegd.

7.Onschuld van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft niet onverwijld aangetoond onschuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.
8.
Gevoerde verweren
8.1
Voltooide schending van het verbod op foltering (artikel 3 EVRM Pro)
Standpunt verdediging
De raadsman heeft primair aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard omdat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), inhoudende dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Aangevoerd is dat de opgeëiste persoon tijdens zijn detentie in de strafzaak meerdere malen is mishandeld en gefolterd/gemarteld. Het gaat om meerdere ernstige mishandelingen in de periode van februari/maart 2016 tot en met september 2019 door bewaarders in de Maltepe-gevangenis en de Dinar-gevangenis. Verwezen is naar vier foto’s waarop volgens de opgeëiste persoon letsels te zien zijn die met deze mishandelingen zijn toegebracht.
Het letsel dat uit die foto’s blijkt toont volgens de opgeëiste persoon aan dat hij in gevangenschap is geslagen, geschopt en van de trap af is geduwd.
De mishandelingen hebben plaatsgevonden in het bijzijn van aanhangers van de Gülenbeweging, met wie hij (zoals hij heeft verklaard tijdens het aanmeldgehoor op 27 juni 2024 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in het kader van zijn asielprocedure) in detentie in contact is gekomen.
Dat in de Dinar-gevangenis werd gemarteld blijkt aldus de verdediging ook uit een artikel van 19 juni 2019 op een website, waarvan een Nederlandse vertaling in de pleitnotities is opgenomen. Ook is verwezen naar het in februari 2025 gepubliceerde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken over de situatie in Turkije en de per e-mail toegezonden artikelen/stukken over mishandeling en martelingen in Turkse gevangenissen en de vervolging van aanhangers van de Gülenbeweging en leden van oppositiepartijen in Turkije.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden in afwachting van het nadere gehoor van de opgeëiste persoon door de IND, omdat hij daarin ook nader zal worden gehoord over de mishandelingen/folteringen tijdens de detentie in Turkije en daarna hiervoor dus een nadere onderbouwing zou kunnen worden geven. In geval van aanhouding van de behandeling zouden er ook door de officier van justitie vragen hierover kunnen worden gesteld aan de Turkse autoriteiten.
Beoordeling
Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) over de bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken is de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon bij inwilliging van het uitleveringsverzoek zal worden blootgesteld aan een
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM Pro voorbehouden aan de Minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon tijdens de detentie in het kader van deze strafzaak meerdere malen ernstig is mishandeld door bewaarders in de gevangenissen waar de verdachte heeft verbleven en dit geconcretiseerd. De opgeëiste persoon heeft daarover op zitting ook verklaard. De rechtbank is echter van oordeel dat de onderbouwing die daarvoor is gegeven onvoldoende is om (met voldoende mate van zekerheid) vast te kunnen stellen dat deze mishandelingen hebben plaatsgevonden en daarmee sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 3 EVRM Pro.
Enkel op basis van de overgelegde foto’s kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dergelijke voltooide inbreuk. Zonder gegevens met betrekking tot de aanmaakdata van deze foto’s en overige stukken die als onderbouwing kunnen dienen, die ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat hetgeen te zien is op die foto’s letsels zijn die het gevolg zijn van de gestelde mishandelingen door bewaarders in de gevangenissen tijdens zijn detentie.
Verder wordt in de overgelegde stukken weliswaar melding gemaakt van mishandelingen en martelingen van gevangenen in Turkse gevangenissen, waaronder in de Dinar-gevangenis, maar daaruit blijkt niet dat dit ook voor de opgeëiste persoon het geval is geweest.
Uit deze stukken komt het beeld naar voren dat met name tegenstanders van het regime, zoals aanhangers van de Gülenbeweging, slachtoffer (zijn) worden van mishandelingen en martelingen. De opgeëiste persoon stelt tijdens zijn detentie in Turkije contact te hebben gehad met aanhangers van de Gülenbeweging en door verantwoordelijken van deze beweging te zijn geholpen bij het verkrijgen van onderdak en zijn vertrek uit Turkije. Ook stelt hij deel te nemen aan bijeenkomsten van deze beweging, maar verder geen rol te hebben in deze beweging. De rechtbank is van oordeel dat op basis van hetgeen thans is gesteld niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon zelf aanhanger is of was van deze beweging. Bovendien stelt hij ook niet om die reden te zijn mishandeld.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat hetgeen door de opgeëiste persoon en zijn raadsman is aangevoerd en ter onderbouwing daarvan is overgelegd niet toereikend is om de conclusie te rechtvaardigen dat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van de fundamentele rechten als bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van het nadere gehoor in de asielprocedure teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om te komen met een nadere onderbouwing en evenmin om de officier van justitie opdracht te geven hierover vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten.
8.2
Geen strafrestant
Standpunt verdediging
De raadsman wijst erop dat in de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek staat:

Duur die zal worden doorgebracht in de tenuitvoerlegging
Het is vastgesteld dat de veroordeelde [naam] wegens het delict dat hij heeft gepleegd tussen 26/11/2015 - 27/11/2015 in voorarrest heeft gezeten, tussen 27/11/2015 - 18/03/2019 in hechtenis heeft gezeten en voordat hij voortvluchtig raakte tussen 18/03/2019 - 20/07/2022 de desbetreffende straf heeft uitgezeten.
Na 5 jaren, 10 maanden en 7 dagen vanaf het moment dat hij in de penitentiaire inrichting is gezet, kan hij voorwaardelijk worden vrijgelaten.
Resterende straf
10 Jaar en 2 dagen’
Hij stelt dat de Turkse autoriteiten, gelet op de zinsnede ‘de desbetreffende straf heeft uitgezeten’, zelf stellen dat de opgeëiste persoon de straf al heeft uitgezeten. Primair stelt hij zich daarom op het standpunt dat er geen strafrestant meer is en de uitlevering om die reden ontoelaatbaar dient te worden verklaard.
Subsidiair verzoekt hij om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden en de officier van justitie opdracht te geven om aan de Turkse autoriteiten vragen te stellen over deze zinsnede.
Daarbij merkt hij op dat hetgeen daarna is vermeld ook vragen oproept. Hij vraagt zich af hoe de zin over de voorwaardelijke vrijlating zich verhoudt met de zinsnede ‘de desbetreffende straf heeft uitgezeten’. Ook vraagt hij zich af hoe de zin ‘Resterende straf 10 jaar en 2 maanden’ zich verhoudt met de zin over de voorwaardelijke vrijlating en de zinsnede ‘de desbetreffende straf heeft uitgezeten’.
Beoordeling
Over het in het uitleveringsverzoek genoemde strafrestant van 10 jaar en 2 dagen bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen enkele onduidelijkheid. Uit de aangehaalde alinea uit het uitleveringsverzoek blijkt dat de opgeëiste persoon tot 18 maart 2019 in preventieve hechtenis heeft verbleven en dat hij daarna gedetineerd is geweest in het kader van de tenuitvoerlegging van de straf tot 20 juli 2022, omdat hij toen voortvluchtig is geraakt.
Hij heeft tot dat moment in totaal 6 jaren en, op enkele dagen na, 8 maanden in detentie doorgebracht. Daaruit volgt dat er van de opgelegde gevangenisstraf nog 10 jaar en 2 dagen resteert. Het verweer dat de Turkse autoriteiten met de zinsnede ‘de desbetreffende straf heeft uitgezeten’ bedoelen dat hij de gehele straf al heeft uitgezeten en er dus geen strafrestant meer is, kan gelet hierop niet slagen. Dit verweer wordt verworpen.
Ook de zin over de voorwaardelijke invrijheidstelling roept naar het oordeel van de rechtbank geen vragen op. De rechtbank begrijpt daaruit dat, gelet op de tijd die reeds is uitgezeten en de straf die resteert, de opgeëiste persoon na 5 jaren, 10 maanden en 7 dagen vanaf het moment dat hij na de uitlevering weer in Turkije in detentie komt, voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. Na aftrek van deze VI-periode blijft er nog steeds een strafrestant over.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande ook geen aanleiding om de officier van justitie opdracht te geven hierover nadere vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten en de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Voor de stellingen van de opgeëiste persoon dat hij volgens de nieuwe wetten in Turkije of destijds geldende coronamaatregelen in Turkije waardoor gedetineerde zijn vrijgelaten, geen straf meer zou hoeven uit te zitten, is geen begin van aannemelijkheid gegeven. Ook dat kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering.

9.Slotsom

Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

10.Advies aan de Minister

De raadsman heeft ook gesteld dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro, omdat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering vanwege zijn contacten met aanhangers van de Gülenbeweging eraan bloot staat (opnieuw) te worden gemarteld of gefolterd in de gevangenis. De opgeëiste persoon heeft zelf ook verklaard hij het waarschijnlijk acht dat dat zal gebeuren. Verder is gesteld dat hij ook bloot staat aan een nieuwe vervolging in Turkije. Dit betreffen verweren die, gelet op voornoemde bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister, aan het oordeel van de Minister onderworpen zijn. De rechtbank zal deze verweren daarom in haar advies aan de Minister onder de aandacht brengen.
De rechtbank constateert verder dat in de garanties die zijn gegeven in het uitleveringsverzoek niet expliciet staat dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank zal daarom in haar advies ook de Minister adviseren om, alvorens de gevraagde uitlevering toe te staan, van de Turkse autoriteiten de garantie te verlangen dat de opgeëiste persoon daar niet aan zal worden blootgesteld.

11.Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op
de artikelen 1 en 2 van het EUV,
de artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet.

12.Beslissing

De rechtbank:
wijst af het door de raadsman subsidiair gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek;
verklaart
toelaatbaarde uitlevering aan Turkije van [naam] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] (Turkije), tot tenuitvoerlegging van het hiervoor genoemde strafvonnis van de 4e Meervoudige Kamer voor Strafzaken te Istanbul Anatolië (‘Îstanbul Anadolu 4. Ağir Ceza Mahkemesi’) van 13 mei 2016.
Deze beslissing is genomen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. A.J.P. van Essen en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari 2026.
Bijlage:
Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van een gedeelte van de Nederlandse vertaling van het voornoemde strafvonnis.