ECLI:NL:RBROT:2026:1685

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/828 V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en verwijst naar bezwaarprocedure

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzet van opposante tegen de eerdere uitspraak waarin haar beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard. De kern van het geschil betrof de vraag of het besluit van de Dienst Toeslagen op juiste wijze was bekendgemaakt en of opposante en haar gemachtigde op de hoogte waren van het besluit toen het beroep werd ingesteld.

De Dienst Toeslagen toonde met een verzendrapportage aan dat het besluit op 26 september 2024 was verzonden, ondanks de betwisting door opposante en haar gemachtigde dat het besluit was ontvangen. De rechtbank achtte het aannemelijk dat het besluit daadwerkelijk was verzonden, maar concludeerde dat noch opposante noch haar gemachtigde op de hoogte waren van het besluit toen de ingebrekestelling en het beroep wegens niet tijdig beslissen werden ingediend.

Hierdoor werd het besluit pas tijdens het beroep bekendgemaakt, waardoor een beroep van rechtswege tegen het besluit was ontstaan. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, deed direct einduitspraak en verwees het beroep naar de Dienst Toeslagen om als bezwaar te worden behandeld. Tevens werd Dienst Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de Dienst Toeslagen om als bezwaar te worden behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/828 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 op het verzet van

[opposante], ([opposante]) uit Rotterdam

(gemachtigde: mr. H. Sala),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2025 (de uitspraak) in het geding tussen
opposante
en

Dienst Toeslagen

en uitspraak in de zaak tussen

[opposante]

en

Dienst Toeslagen

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van [opposante] gaat over de uitspraak waarin de rechtbank het beroep van [opposante] wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Op 27 januari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Verschenen zijn de gemachtigde van [opposante] en [naam] namens de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. De recht doet voorts direct einduitspraak in het beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Naar aanleiding van een voorlopige beslissing van 15 augustus 2024 tot afwijzing van de aanvraag om een vergoeding op basis van een integrale herbeoordeling in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen heeft de gemachtigde van [opposante] (de gemachtigde) een zienswijze ingediend. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens op 30 september 2024 met kenmerk UHT-DCHOA het definitieve besluit genomen tot afwijzing (het besluit). Dat besluit is gericht aan [opposante] zelf. Op 2 oktober 2024 heeft de gemachtigde een ingebrekestelling verzonden en vervolgens op 20 januari 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven een besluit.
5. Volgens de uitspraak ontbreekt procesbelang bij het beroep niet tijdig beslissen, nu reeds was beslist op de aanvraag.
6 [opposante] heeft aangevoerd dat het besluit niet is bekendgemaakt, nu is verzuimd het aan de gemachtigde te versturen. Verder heeft [opposante] gesteld dat het niet aannemelijk is dat het besluit op 30 september 2024 is genomen.
7. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet in de bevoegdheid van de rechtbank om zonder een zitting uitspraak te doen indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank had een zitting redelijkerwijs tot een andere uitkomst kunnen leiden. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
8. Anders dan de gemachtigde betoogt, is voor de mogelijkheid om een beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen (en voor het verbeuren van dwangsommen) niet van belang of het besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt, maar slechts of de aanvrager of bezwaarmaker bekend is met het genomen besluit, zodat niet van belang is of het besluit niet tevens naar de gemachtigde is verzonden (vgl. ECLI:NL:HR:2013:969; ECLI:NL:RVS:2015:2080 en ECLI:NL:CRVB:2016:4813).
9. In de stelling van [opposante] dat wordt betwijfeld dat het besluit op 26 september 2024 is genomen, ligt besloten dat zij de ontvangst daarvan ontkent. Ter zitting heeft de gemachtigde ontkend dat [opposante] het besluit destijds heeft ontvangen. Die ontkenning wordt door de rechtbank tevens opgevat als een betwisting van de verzending van het besluit (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1102).
10. Gelet op vaste rechtspraak is het bij de ontkenning van verzending aan het bestuursorgaan om de verzending van het besluit aannemelijk te maken. De dag voor de zitting heeft de Dienst Toeslagen een schriftelijke reactie op het verzet ingediend met een verzendrapportage. Omdat de ontvankelijkheid van het beroep wegens niet tijdig beslissen evenals de hierna te beantwoorden vraag of een beroep van rechtswege is ontstaan tegen het besluit ambtshalve moet worden beoordeeld, neemt de rechtbank kennis van die te laat ingediende stukken. Die zijn ter zitting ook besproken.
11. Dienst Toeslagen heeft met die verzendrapportage naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat een verzendopdracht is gegeven voor de brief met een uniek nummer, dat deze brief met dat unieke nummer is opgenomen in een batch van 298 brieven met nummer 903536 op 26 september 2024 is aangeboden aan de afdeling Massaal Printen en dat die opdracht is verwerkt. Vermeld is verder dat met PostNL een contract is afgesloten voor 48-uurs post. Gelet op een en ander acht de rechtbank het aannemelijk dat het besluit is verzonden aan [opposante] (vgl. ECLI:NL:CRVB:2020:1045, punt 4.3.3.4 en ECLI:NL:RBROT:2024:5414, punt 8).
12. De eerdere betwisting door [opposante] van het bestaan van het besluit, de herhaling ter zitting dat [opposante] het besluit destijds niet heeft ontvangen en dat haar gemachtigde eerst met de uitspraak op de hoogte is geraakt van het bestaan van het besluit, de bekende problemen met de postbezorging door PostNL en de omstandigheid dat de Dienst Toeslagen heeft nagelaten het besluit naar de gemachtigde te versturen, maken tezamen dat de rechtbank het aannemelijk acht dat zowel [opposante] als haar gemachtigde niet op de hoogte waren van het bestaan van het besluit toen de ingebrekestelling en het beroep wegens niet tijdig beslissen werden ingediend.
13. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het besluit eerst bekend is gemaakt in beroep en dit een besluit vormt als bedoeld in artikel 6:20 van Pro de Awb. Nu het besluit een afwijzing van de aanvraag bevat, is gelet op het derde lid van dat artikel een beroep van rechtswege tegen het besluit ontstaan.
14. Gelet op het voorgaande is het verzet gegrond. Met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb doet de rechtbank gelijk uitspraak op het beroep.
15. Gelet op het vierde lid van artikel 6:20 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding om het beroep van rechtswege tegen het besluit te verwijzen naar de Dienst Toeslagen om het als een bezwaarschrift af te doen. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat de vraag naar de ontvankelijkheid van het bezwaar geen rol meer speelt.
16. Omdat inmiddels is beslist, is het procesbelang bij het beroep wegens het niet tijdig beslissen komen te ontvallen. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is om die reden niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

17. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt. De rechtbank doet gelijk uitspraak. Zij verwijst het beroep van rechtswege naar de Dienst Toeslagen om dit als een bezwaar tegen het besluit af te doen.
18. Omdat het verzet gegrond is en omdat eerst na het instellen van het beroep het besluit bekend is geworden bij [opposante], ziet de rechtbank aanleiding tot een proceskostenveroordeling in verzet en in beroep met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), een verzetschrift ingediend (0,5 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan 2,5 x 0,5 x € 934 is in totaal € 1.167,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het beroep van rechtswege tegen het besluit van 26 september 2024 in behandeling neemt als bezwaar;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 513 aan opposante moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 1.167,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.