ECLI:NL:RBROT:2026:1873

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
K/4602/10573640 en 10825786
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 705 RvArt. 337 lid 2 RvArt. 6:253 BWArt. 7:900 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzagevordering bewijsbeslag wegens geschonden relatiebeding en vaststellingsovereenkomst

UTI vordert inzage in bescheiden die onder conservatoir bewijsbeslag zijn genomen wegens vermeende schendingen van relatiebedingen en een vaststellingsovereenkomst door voormalige werknemers en hun nieuwe werkgever, [bedrijf 1].

De kantonrechter oordeelt dat de inzagevorderingen tegen [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] niet toewijsbaar zijn omdat het relatiebeding te ruim en onduidelijk is geformuleerd, waardoor het rechtmatig belang ontbreekt. Voor [gedaagde 1] en [bedrijf 1] is het relatiebeding door een vaststellingsovereenkomst beperkt en erkent [gedaagde 1] schendingen, waardoor inzage gerechtvaardigd is.

De inzage wordt beperkt tot specifieke communicatie en documenten die betrekking hebben op klanten uit een bijlage bij de vaststellingsovereenkomst en tot de periode van 15 februari 2022 tot en met 30 november 2022. De kantonrechter wijst op het belang van bescherming van bedrijfsgevoelige informatie, maar acht het belang van UTI zwaarder. De vorderingen tot opheffing van het beslag worden afgewezen. De zaak wordt verwezen voor nadere conclusies na inzage.

Uitkomst: Inzagevorderingen van UTI tegen [gedaagde 1] en [bedrijf 1] worden toegewezen voor een beperkte periode en selectie, inzagevorderingen tegen overige gedaagden en opheffing van beslag worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummers: 10573640 CV EXPL 23-18110 en 10825786 CV EXPL 23-32429
Vonnis van de kantonrechter van 13 februari 2026
in de zaak met zaaknummer 10573640 CV EXPL 23-18110 van
LINEAGE FREIGHT FORWARDING NETHERLANDS B.V.
(voorheen genaamd Unsworth Transport International Forwarding B.V.),
te Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.L. van Schouten,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M.H. Gardien,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
niet verschenen,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
niet verschenen,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats] ,
niet verschenen,
5.
[gedaagde 5],
te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M. Verhagen,
gedaagde partijen,
en in de gevoegde zaak met zaaknummer 10825786 CV EXPL 23-32429 van
LINEAGE FREIGHT FORWARDING NETHERLANDS B.V.
(voorheen genaamd Unsworth Transport International Forwarding B.V.),
te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.L. van Schouten,
tegen
[bedrijf 1] B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.H. Gardien.
Eiseres in beide zaken zal hierna UTI genoemd worden. Gedaagden in de zaak met zaaknummer 10573640 CV EXPL 23-18110 worden [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] genoemd en gedaagde in de zaak met zaaknummer 10825786 CV EXPL 23-32429 [bedrijf 1] .

1.De zaken in het kort

1.1.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest voor UTI. In deze arbeidsovereenkomsten stond een relatiebeding, versterkt met een boetebeding. Op enig moment is [gedaagde 1] uit dienst getreden en is hij zijn eigen bedrijf gestart onder de naam [bedrijf 1] . Later zijn ook [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] bij UTI uit dienst getreden en zijn zij voor [bedrijf 1] gaan werken.
1.2.
Naar aanleiding van vermeende overtredingen van het relatiebeding door [gedaagde 1] hebben UTI en [gedaagde 1] onderhandeld over een minnelijke regeling. Op 15 februari 2022 hebben zij een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat [gedaagde 1] tot en met 30 november 2022 geen zaken mocht doen met de in de bijlage bij die overeenkomst vermelde klanten/relaties van UTI. UTI verwijt [gedaagde 1] dat hij ook de vaststellingsovereenkomst heeft overtreden. UTI verwijt [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] dat zij het relatiebeding in hun arbeidsovereenkomsten hebben overtreden. UTI heeft daarom ten laste van hen en van [bedrijf 1] conservatoir bewijsbeslag gelegd. In deze procedures vordert UTI – kort gezegd – inzage in de in bewijsbeslag genomen bescheiden. [gedaagde 1] en [bedrijf 1] vorderen op hun beurt opheffing van de beslagen.
1.3.
In dit vonnis komt de kantonrechter tot de conclusie dat de inzagevorderingen van UTI tegen [gedaagde 1] en [bedrijf 1] over een beperkte periode toewijsbaar zijn. De in beslag genomen bescheiden moeten bovendien worden geselecteerd aan de hand van de klantnamen zoals vermeld in de bijlage bij de vaststellingsovereenkomst.
De inzagevorderingen tegen [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn niet toewijsbaar, omdat niet is voldaan aan alle vereisten van artikel 843a (oud) Rv.
De door [gedaagde 1] en [bedrijf 1] gevorderde opheffing van de beslagen is niet toewijsbaar.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
In de zaak met zaaknummer 10573640 CV EXPL 23-18110
- de dagvaarding van 6 juni 2023,
- de akte overleggen producties van UTI, met producties 1 tot en met 43,
- de rolbeslissing van 22 december 2023,
- de regiezitting van 21 juni 2024,
- de rolbeslissing van 28 juni 2024,
- de akte van UTI van 12 september 2024, met producties A tot en met E,
- de akte van [gedaagde 1] van 12 september 2024, met productie 48,
- de conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv, tevens eis in reconventie in het incident ex art. 843a Rv van [gedaagde 1] , met producties 1 tot en met 45,
- de rolbeslissing van 13 december 2024,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 5] ,
- de conclusie van repliek in conventie in het artikel 843a Rv incident en van antwoord in reconventie in het artikel 843a Rv incident van UTI, met producties 44 tot en met 56,
- de conclusie van dupliek van [gedaagde 5] ,
- de conclusie van dupliek in het artikel 843a Rv incident van [gedaagde 1] , met producties 46 tot en met 50,
- de akte uitlating producties in conventie van 8 mei 2025 van UTI in het artikel 843a incident,
- de brieven van de kantonrechter van 16 juni 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
- het bericht van 22 oktober 2025 van mr. Van Schouten, met producties 57 tot en met 61,
- de e-mail van 3 november 2025 van mr. Schouten, met een productie,
- de mondelinge behandeling van 25 november 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Gardien.
In de zaak met zaaknummer 10825786 CV EXPL 23-32429
- de dagvaarding van 6 juni 2023,
- de akte houdende overlegging producties van UTI, met productie A (de dagvaarding met producties 1 tot en met 43 uit de zaak met zaaknummer 10573640 CV EXPL 23-18110),
- de conclusie van antwoord in het incident ex art. 220 Rv Pro en ex art. 843a Rv, tevens eis in reconventie in het incident ex art. 843a Rv van [bedrijf 1] , met producties 1 tot en met 46,
- de conclusie van repliek in conventie in het artikel 843a Rv incident van UTI, met producties 49 tot en met 53b,
- de conclusie van dupliek in het incident ex art. 843a Rv van [bedrijf 1] , met productie 47,
- het vonnis in incident van 29 november 2023 van deze rechtbank, team handel en haven, waarbij de zaak is verwezen naar de kantonrechter en is gevoegd met de zaak met zaaknummer 10573640 CV EXPL 23-18110,
- de rolbeslissing van 22 december 2023,
- de regiezitting van 21 juni 2024,
- de rolbeslissing van 28 juni 2024,
- de akte van [bedrijf 1] van 12 september 2024, met productie 48,
- de rolbeslissing van 13 december 2024,
- de brieven van de kantonrechter van 16 juni 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
- het bericht van 22 oktober 2025 van mr. Schouten, met producties 57 tot en met 61,
- de e-mail van 3 november 2025 van mr. Schouten, met een productie,
- de mondelinge behandeling van 25 november 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Gardien.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
UTI houdt zich bezig met het doen vervoeren van droge en gekoelde containers via overzees transport. Zij verzorgt hiervoor ook het wegtransport en de benodigde documentatie om het vervoer mogelijk te maken (freight forwarding).
3.2.
[gedaagde 1] is op 20 mei 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij UTI in de functie van commercieel medewerker. In zijn arbeidsovereenkomst, waarin UTI is aangeduid als ‘Werkgever’ en [gedaagde 1] als ‘Werknemer’ staan een relatiebeding en boetebeding, die – voor zover hier relevant – als volgt luiden:
“(…)
8. Relatiebeding
8.1
Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever is het Werknemer niet toegestaan binnen een termijn van een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst en binnen Nederland, direct of indirect in enigerlei vorm voor zichzelf of voor anderen, werkzaam te zijn voor, of betrokken te zijn bij cliënten en relaties van Werkgever, zulks ongeacht van welke zijde initiatieven ter zake zijn uitgegaan, dan wel cliënten en relaties te bewegen de band met Werkgever te verbreken.
8.2
Met ‘relaties’ en ‘cliënten’ in het kader van dit artikel wordt bedoeld de bedrijven of personen met wie Werkgever of met Werkgever gelieerde entiteiten, binnen het jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst zaken heeft gedaan.
(…)
11. Boetebeding
(…)
11.2
Bij iedere overtreding van het bepaalde in artikel 8, 10 of 13 van de arbeidsovereenkomst na einde dienstverband verbeurt Werknemer telkens een dadelijk opeisbare boete, zonder dat voorafgaande sommatie of ingebrekestelling is vereist, van EUR 5.000, te vermeerderen met een bedrag van EUR 250 per dag voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van Werkgever om nakoming van het concurrentiebeding te vorderen en schadevergoeding.
(…)”
3.3.
[gedaagde 5] is op 1 december 2019 in dienst getreden bij UTI in de functie van operationeel administratief medewerker. In zijn arbeidsovereenkomst zijn hetzelfde relatie- en boetebeding opgenomen als in de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 1] (zie 3.2).
3.4.
[gedaagde 1] heeft zijn arbeidsovereenkomst met UTI (op 28 oktober 2021 mondeling en 11 november 2021 schriftelijk) opgezegd per 30 november 2021.
3.5.
Op 29 oktober 2021 heeft [gedaagde 1] [bedrijf 1] opgericht. [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) is enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . [gedaagde 1] is enig bestuurder van zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] .
[bedrijf 1] houdt zich bezig met het verzorgen van diensten op het gebied van logistiek, alsmede transport. Zij is een directe concurrent van UTI.
3.6.
[gedaagde 5] heeft zijn dienstverband bij UTI per 1 december 2021 beëindigd en is daarna bij [bedrijf 1] in dienst getreden.
3.7.
Bij verzoekschrift van 21 december 2021 heeft UTI de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van [gedaagde 1] . UTI heeft aan dat verzoek – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] het relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst met UTI heeft geschonden door klanten en relaties van UTI te benaderen en te bewegen de band met UTI te verbreken en door met [bedrijf 1] werkzaamheden te verrichten voor relaties en klanten van UTI. De voorzieningenrechter heeft het verlof verleend, waarna UTI op 24 december 2021 ten laste van [gedaagde 1] beslag heeft doen leggen.
3.8.
Vervolgens hebben UTI en [gedaagde 1] onderhandeld over een minnelijke regeling. Zij hebben op 15 februari 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). De vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang:
“(…)
1. In de op 30 november 2021 beëindigde arbeidsovereenkomst tussen partijen staat het navolgende relatiebeding:
(…)
UTI en [gedaagde 1] hebben afgesproken dat onder “cliënten” en “relaties” als bedoeld in artikel 8.1 van de arbeidsovereenkomst moet worden begrepen klanten van UTI waarmee [gedaagde 1] binnen een jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst met UTI in zijn functie van Commercieel medewerker zaken heeft gedaan. Ter voorkoming van nadere geschillen is er een limitatieve lijst opgenomen van deze klanten, deze lijst is aan de onderhavige vaststellingsovereenkomst gehecht (bijlage 1). Entiteiten die niet genoemd zijn in bijlage 1, vallen derhalve niet onder de reikwijdte van het voornoemde beding.
2. Slechts volledigheidshalve en ter voorkoming van misverstanden:

Het is [gedaagde 1] toegestaan contacten te hebben en zaken te doen met leveranciers van UTI en klanten van UTI die niet zijn genoemd in bijlage 1;

Het is [gedaagde 1] verder toegestaan om werkzaamheden te verrichten voor, c.q. samen te werken met (…) Westwood B.V., (…) welke vennootschap klant was bij UTI en de zakelijke relatie met UTI heeft beëindigd.

Het is [gedaagde 1] direct of indirect niet toegestaan oneerlijke concurrentie te bedrijven met UTI.
3. In verband met het door UTI gestelde – en door [gedaagde 1] betwiste – overtreden van het relatiebeding door [gedaagde 1] en de door UTI gestelde aanspraken op betaling door [gedaagde 1] van boetebedragen en schadevergoeding, alsmede in verband met de ter zake door UTI gemaakte kosten, hebben partijen afgesproken dat [gedaagde 1] aan UTI een schadevergoeding voldoet van EUR 40.000,- (…).
4. Direct na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst heft UTI de gelegde beslagen op en zal UTI de tegen [gedaagde 1] gestarte bodemprocedure intrekken/laten doorhalen.
5. Partijen verklaren over en weer na uitvoering van de verplichtingen zoals genoemd in deze vaststellingsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele finale kwijting te verlenen ten aanzien van de vermeende schendingen van het relatiebeding door [gedaagde 1] , c.q. [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V., [gedaagde 1] Beheer B.V. en [gedaagde 5] in zijn hoedanigheid als werknemer van [bedrijf 1] B.V. tot aan de ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst en de als gevolg daarvan vermeend verbeurde boetes, ontstane kosten en/of geleden schade en eventueel nog te lijden kosten en/of schade. Dit beding kwalificeert als een derdenbeding krachtens artikel 6:253 BW Pro voor in ieder geval [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V., [gedaagde 1] Beheer B.V. en [gedaagde 5] in zijn hoedanigheid als werknemer van [bedrijf 1] B.V.
6. De onderhavige overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 e.v. BW.
(…)”.
3.9.
[gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben eveneens bij UTI gewerkt als accountmanager, administratief medewerker respectievelijk operationeel medewerker. In hun arbeidsovereenkomsten zijn hetzelfde relatie- en boetebeding opgenomen als in de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 1] (zie 3.2). [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben hun dienstverband per 1 mei 2022, 1 september 2022 respectievelijk 1 januari 2023 beëindigd en zijn vervolgens bij [bedrijf 1] in dienst getreden.
3.10.
Bij verzoekschrift van 8 februari 2023 heeft UTI de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van onder meer [gedaagde 1] , [bedrijf 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] . Daaraan heeft UTI ten grondslag gelegd dat zij de vaststellingsovereenkomst en/of het relatiebeding in hun arbeidsovereenkomsten met UTI hebben geschonden en/of onrechtmatig jegens UTI hebben gehandeld. Door middel van het beslag wilde UTI bewijs daarvan verzamelen en de (financiële) omvang en gevolgen in kaart brengen.
3.11.
Bij beschikking van 14 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter het verzoek ten aanzien van [gedaagde 1] , [bedrijf 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] deels toegewezen. Daarbij is IT-specialist [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) als gerechtelijk bewaarder aangesteld. De voorzieningenrechter heeft een beperking in tijd aangebracht voor wat betreft de periode waarop de bescheiden kunnen worden doorzocht. Zo zijn voor [gedaagde 1] , [bedrijf 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] verschillende startmomenten bepaald, waardoor bescheiden van eerdere data niet in beslag genomen mochten worden. Vanwege een schrijffout in de beschikking is op 15 februari 2023 een herstelbeschikking gegeven.
3.12.
Op 17 februari 2023 heeft UTI ten laste van [gedaagde 1] , [bedrijf 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] conservatoir bewijsbeslag doen leggen onder [gedaagde 1] , [bedrijf 1] en [gedaagde 2] . De beslagen bescheiden zijn in bewaring gegeven aan [bedrijf 3] .
3.13.
Op 1 maart 2023 heeft UTI [gedaagde 1] , [bedrijf 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] gedagvaard in kort geding en heeft zij inzage gevorderd in de door het bewijsbeslag getroffen bescheiden. Bij vonnis van 19 april 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van UTI afgewezen [1] . UTI heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
3.14.
Op 24 mei 2023 heeft de advocaat van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] UTI verzocht per ommegaande de deurwaarder en [bedrijf 3] te instrueren de door het bewijsbeslag getroffen bescheiden te vernietigen. De advocaat van UTI heeft hierop laten weten dat naar zijn mening de beslagen zijn blijven liggen totdat in de bodemprocedure is beslist.
3.15.
Op 30 mei 2023 heeft UTI, na verkregen verlof van 26 mei 2023, ten laste van onder meer [gedaagde 1] , [bedrijf 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] conservatoir beslag tot afgifte gelegd op de bescheiden die door het bewijsbeslag van 17 februari 2023 (zie 3.12) zijn getroffen.
3.16.
Op 5 juni 2023 hebben onder meer [gedaagde 1] en [bedrijf 1] UTI in kort geding gedagvaard en hebben zij opheffing van de onder 3.12 en 3.15 vermelde beslagen gevorderd. Zij hebben hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat het beslag van 17 februari 2023 van rechtswege is vervallen nadat het vonnis in de hoofdzaak (het vonnis in kort geding van 19 april 2023) onherroepelijk is geworden en dat het beslag van 30 mei 2023 onrechtmatig is, dan wel misbruik van recht oplevert, dan wel vexatoir is, omdat dat beslag is gelegd op het reeds van rechtswege vervallen eerste beslag en dus niets heeft geraakt. UTI heeft misbruik gemaakt van de omstandigheid dat de door het eerste beslag getroffen bescheiden nog niet waren vernietigd door de bewaarder, aldus [gedaagde 1] en [bedrijf 1] .
Bij vonnis van 22 juni 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen afgewezen [2] . In hoger beroep is dit vonnis bij arrest van 11 juni 2024 bekrachtigd [3] . Bij arrest van 31 oktober 2025 van de Hoge Raad is het door (onder meer) [gedaagde 1] en [bedrijf 1] ingestelde cassatieberoep verworpen [4] .

4.De vorderingen in de hoofdzaken

in de zaak met zaaknummer 10573640 CV EXPL 23-18110
4.1.
UTI vordert (samengevat), bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1) gedaagden te veroordelen om aan UTI te betalen de door de betreffende gedaagde verbeurde contractuele boetes dan wel de door UTI geleden en door de betreffende gedaagde veroorzaakte schade te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
2) gedaagden te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde 1] heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.
4.3.
[gedaagde 5] heeft – zoals toegelicht ter zitting – ook nog niet voor antwoord in de hoofdzaak geconcludeerd.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de zaak met zaaknummer 10825786 CV EXPL 23-32429
4.5.
UTI vordert (samengevat), bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
gedaagde te veroordelen om aan UTI te betalen de door de betreffende gedaagde verbeurde contractuele boetes dan wel de door UTI geleden en door de gedaagde veroorzaakte schade te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
gedaagde te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.6.
[bedrijf 1] heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De inzagevorderingen in incident in beide zaken

5.1.
UTI vordert in zaak 10573640 CV EXPL 23-18110 respectievelijk in zaak 10825786 CV EXPL 23-32429 bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1) [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] respectievelijk [bedrijf 1] te veroordelen om
a. a) toe te staan en te gedogen dat afschriften van de – navolgende – krachtens de beschikking van 14 februari 2023 (zoals gecorrigeerd bij de herstelbeschikking van 15 februari 2023) en de beschikking van 26 mei 2023 onder de daarin genoemde gerekwesteerden in beslag genomen bescheiden aan UTI worden verstrekt:
dan wel
b) zo spoedig mogelijk na betekening van het vonnis aan UTI afschrift en inzage te verstrekken van de – navolgende - krachtens de beschikking van 14 februari 2023 (zoals gecorrigeerd bij de herstelbeschikking van 15 februari 2023) en de beschikking van 26 mei 2023 onder de daarin genoemde gerekwesteerden in beslag genomen bescheiden:
i. i) e-mail correspondentie verzonden en ontvangen door [bedrijf 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 5]
, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en andere medewerkers van
[bedrijf 1] ,
ii) Whatsapp correspondentie, SMS correspondentie en ander berichtenverkeer
verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 5] , [gedaagde 2] ,
[gedaagde 3] en [gedaagde 4] ,
iii) offertes, prijsopgaven, opdrachtbevestigingen en andere documenten verzonden
en/of ontvangen door [bedrijf 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 5] , [gedaagde 2] ,
[gedaagde 3] en [gedaagde 4] en andere medewerkers van [bedrijf 1] ,
iv) facturen opgemaakt en/of verzonden door, en de (debiteuren) administratie van,
[bedrijf 1] ,
v) financiële administratie en bancaire gegevens,
vi) het register van aandeelhouders in [bedrijf 2] B.V.,
een en ander voor zover,
a. in voor wat betreft de onder i tot en met v bedoelde bescheiden:
 een of meer van de (rechts)personen die zijn genoemd op de bij productie 5 bij dagvaardingen overgelegde lijst als ‘verzender’, ‘ontvanger’, ‘bcc’, ‘cc’ of ‘forward’ betrokken zijn, ofwel
 het betreffende bescheid als zoekterm de naam bevat van een of meer van de (rechts)personen die zijn genoemd op de bij productie 5 overgelegde lijst (met of zonder het toevoegsel dat de rechtsvorm aanduidt), of een deel van deze naam voor zover het betreffende deel een voor de naam onderscheidend deel is,
en
de onder i t/m v bedoelde bescheiden zijn aangemaakt of gedateerd of verzonden of ontvangen of anderszins betrekking hebben op een datum die is gelegen op of na het Startmoment, waarbij conform de beschikking van 14 februari 2023 als Startmoment heeft te gelden:
• ten aanzien van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] : 1 augustus 2021
• ten aanzien van [gedaagde 5] : 1 oktober 2021
• ten aanzien van [gedaagde 2] : 1 maart 2022
• ten aanzien van [gedaagde 3] : 1 juli 2022
• ten aanzien van [gedaagde 4] : 1 november 2022
met dien verstande dat wordt uitgesloten de informatie die is gewisseld tussen een van gedaagden en (een) advoca(a)ten, tenzij deze berichten door de betreffende gedaagde zijn doorgestuurd aan derden (niet-advocaten), dan wel tenzij de berichten zijn gericht aan meerdere ontvangers, waaronder niet-advocaten;
alsmede:
2) te bepalen dat inzage en afschrift dient te geschieden onder begeleiding en toezicht van een door UTI aangewezen gerechtsdeurwaarder, zijnde een deurwaarder van LAVG en met behulp van (een) door de gerechtsdeurwaarder aangewezen ICT-deskundige(n), zijnde de heer [naam 2] , hoofdonderzoeker en directeur van, (dan wel een andere zich aan geheimhouding verplicht hebbende medewerker van) [bedrijf 3] ,
3) te bepalen dat de onder 2) bedoelde deurwaarder(s) en ICT-deskundige(n) inzage nemen in alle bescheiden waarop bewijsbeslag rust en vervolgens (enkel) de bescheiden aan UTI verstrekken die voldoen aan het onder 1) vermelde,
4) [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] respectievelijk [bedrijf 1] te bevelen alle medewerking te verlenen aan hetgeen is vermeld onder 1) tot en met 3), waaronder het verschaffen aan de deurwaarder(s) en/of ICT-deskundige(n) van alle benodigde wachtwoorden, toegangscodes, sleutels etc. en het zo nodig assisteren bij het ontsluiten van de bescheiden,
5) [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] respectievelijk [bedrijf 1] te veroordelen tot betaling aan UTI van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of een gedeelte daarvan dat door de betreffende gedaagde aan hetgeen vermeld is onder 4) in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg is gegeven met een maximum van € 1 miljoen.
5.2.
De conclusie van [gedaagde 1] strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van UTI in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
5.3.
De conclusie van [gedaagde 5] strekt eveneens tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van UTI in de proceskosten.
5.4.
Tot slot strekt ook de conclusie van [bedrijf 1] tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van UTI in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

6.De vorderingen in reconventie in incident in beide zaken

6.1.
[gedaagde 1] respectievelijk [bedrijf 1] vorderen in zaak 10573640 CV EXPL 23-18110 respectievelijk zaak 10825786 CV EXPL 23-32429 (samengevat) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1) de onder 3.12 en 3.15 vermelde beslagen (voor zover nog nodig) op te heffen en UTI te verplichten alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor opheffing,
2) UTI te verbieden om uit hoofde van hetzelfde feitencomplex en/of dezelfde beslagverloven opnieuw (conservatoir) beslag te leggen op het onder 3.12 vermelde beslag, dan wel het onder 3.15 vermelde beslag,
3) voor recht te verklaren dat UTI aansprakelijk is voor de door [gedaagde 1] respectievelijk [bedrijf 1] geleden en te lijden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen jegens [gedaagde 1] respectievelijk [bedrijf 1] door de door haar gelegde en niet opgeheven beslagen,
4) UTI te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6.2.
De conclusie van UTI strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [gedaagde 1] respectievelijk [bedrijf 1] in de proceskosten.

7.De beoordeling in beide zaken in incident

in conventie en in reconventie
7.1.
UTI heeft gesteld en onderbouwd dat haar statutaire naam per 1 december 2024 is gewijzigd van Unsworth Transport International Forwarding B.V. in Lineage Freight Forwarding Netherlands B.V. De kantonrechter zal de tenaamstelling van de eisende partij in beide zaken daarom wijzigen in ‘Lineage Freight Forwarding Netherlands B.V.’, zoals ook blijkt uit de aanhef van dit vonnis.
voorts in reconventie
7.2.
[gedaagde 1] en [bedrijf 1] vorderen opheffing van de onder 3.12 en 3.15 vermelde beslagen. Als de kantonrechter tot de conclusie komt dat deze vorderingen toewijsbaar zijn, zal dit tot afwijzing van de inzagevorderingen van UTI leiden. De kantonrechter zal daarom eerst de vorderingen van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] beoordelen.
7.3.
Voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] moet worden aangesloten bij de voor opheffing van een beslag in artikel 705 Rv Pro neergelegde maatstaven. Op grond van artikel 705 lid 2 Rv Pro wordt de opheffing van een beslag onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt.
7.4.
[gedaagde 1] en [bedrijf 1] leggen – kort gezegd – aan hun vorderingen ten grondslag dat het onder 3.12 vermelde beslag van rechtswege is vervallen nadat het vonnis in de hoofdzaak (het vonnis in kort geding van 19 april 2023; zie 3.13) onherroepelijk was geworden. Doordat UTI dit van rechtswege vervallen bewijsbeslag niet heeft laten vernietigen, kon het tweede beslag zoals bedoeld onder 3.15 gelegd worden. Dat beslag is daarom onrechtmatig, dan wel levert misbruik van recht op, dan wel is vexatoir. Het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2025 maakt dat volgens [gedaagde 1] en [bedrijf 1] niet anders, omdat de Hoge Raad niet is ingegaan op de vraag of er sprake was van ‘een nadere aanwijzing’, zoals UTI stelt.
7.5.
De vorderingen van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] tot opheffing van de beslagen zijn niet toewijsbaar. [gedaagde 1] en [bedrijf 1] hebben in kort geding in 2023 ook opheffing van de hiervoor bedoelde beslagen gevorderd op dezelfde gronden zoals vermeld onder 7.4 [5] . In die procedure is in drie instanties geoordeeld dat er geen grond was voor opheffing van het tweede beslag (zie 3.16). De omstandigheid dat, zoals [gedaagde 1] en [bedrijf 1] stellen, de Hoge Raad in zijn arrest niet is ingegaan op de vraag of er sprake was van ‘een nadere aanwijzing’, brengt niet mee dat de kantonrechter in dit incident tot het oordeel komt dat de beslagen alsnog opgeheven moeten worden. Op dat punt heeft de voorzieningenrechter in het vonnis van 22 juni 2023 geoordeeld dat het eerste beslag (zie 3.12) is blijven liggen, omdat UTI – samengevat – de overwegingen in het vonnis van 19 april 2023 heeft mogen opvatten als nadere aanwijzingen in de zin van artikel 1019c lid 2 Rv. Het gerechtshof Den Haag heeft vervolgens geoordeeld dat [gedaagde 1] en [bedrijf 1] bij de behandeling van de grieven tegen dit oordeel geen belang had en tegen dit oordeel hebben [gedaagde 1] en [bedrijf 1] in cassatie geen middel ingesteld.
[gedaagde 1] en [bedrijf 1] hebben geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden of die ertoe zouden moeten leiden dat de beslagen op grond van een belangenafweging moeten worden opgeheven.
7.6.
Nu de vorderingen tot opheffing van de beslagen zullen worden afgewezen, liggen ook de daaraan verbonden nevenvorderingen voor afwijzing gereed.
Voorts in conventie
7.7.
UTI baseert haar inzagevorderingen op artikel 843a (oud) Rv. Die bepaling is per 1 januari 2025 vervallen, maar blijft op grond van overgangsrecht van toepassing in deze zaak omdat deze vordering voor die datum bij deze rechtbank aanhangig is gemaakt [6] .
7.8.
Op grond van artikel 843a lid 1 (oud) Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van lid 2 bepaalt de rechter zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
7.9.
De cumulatieve voorwaarden van lid 1 voor toewijzing van een inzagevordering moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld en zijn tot op zekere hoogte communicerende vaten. Bij onduidelijkheid over de rechtsbetrekking waarop een partij zich beroept, moeten bijvoorbeeld hogere eisen worden gesteld aan de eis van bepaaldheid van de bescheiden en het rechtmatig belang. Zo kunnen ongewenste
fishing expeditionsbuiten de deur worden gehouden [7] .
7.10.
UTI legt aan haar inzagevorderingen – kort gezegd – ten grondslag dat uit informatie die zij toevallig heeft verkregen, is gebleken dat [gedaagde 1] stelselmatig de vaststellingsovereenkomst en daarmee ook bedingen uit zijn arbeidsovereenkomst met UTI heeft overtreden en dat [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] het relatiebeding in hun arbeidsovereenkomsten hebben overtreden. [bedrijf 1] overtreedt eveneens de vaststellingsovereenkomst en handelt onrechtmatig jegens UTI omdat zij profiteert van de overtredingen door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] . UTI wil inzage in de in beslag genomen bescheiden zoals vermeld onder 5.1 onder 1), om zo de ernst en de omvang van de overtredingen/het onrechtmatig handelen en de omvang van de verbeurde boetes/schade te kunnen bepalen.
[gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5]
7.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de inzagevorderingen tegen [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] niet toewijsbaar. Hiertoe overweegt de kantonrechter als volgt.
7.12.
In de arbeidsovereenkomsten tussen UTI en [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] is in artikel 8 een Pro relatiebeding opgenomen en in artikel 11 een Pro boetebeding (zie 3.3 en 3.9). Op grond van het relatiebeding mag de betreffende werknemer binnen een termijn van één jaar na het einde van zijn arbeidsovereenkomst niet werkzaam zijn voor, of betrokken zijn bij cliënten en relaties van UTI (artikel 8.1 van de diverse arbeidsovereenkomsten). Met relaties of cliënten wordt bedoeld de bedrijven of personen met wie UTI of met UTI gelieerde entiteiten, binnen het jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst zaken heeft gedaan (artikel 8.2). UTI heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat zij en de aan haar gelieerde entiteiten honderden cliënten/relaties hebben. UTI heeft verder toegelicht dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten geen lijst met relaties die onder het relatiebeding vallen is verstrekt aan de betreffende werknemers.
7.13.
Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een relatiebeding dat een zeer omvangrijke, niet voor de werknemer kenbare groep relaties omvat. Het betreft een veel ruimere groep dan bijvoorbeeld louter de klanten van UTI waarmee de betreffende werknemer binnen een jaar voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband met UTI zaken heeft gedaan. Potentieel zou dit een substantieel deel van alle denkbare klanten in de branche kunnen zijn. Daarmee strekt het relatiebeding zich veel verder uit dan noodzakelijk is voor de bescherming van het bedrijfsdebiet en het klantenbestand van UTI en is het relatiebeding naar het oordeel van de kantonrechter te ruim geformuleerd.
7.14.
Doordat het zeer ruime relatiebeding is versterkt met een boetebeding, worden naar het oordeel van de kantonrechter de belangen van de werknemer in verhouding tot het te beschermen belang van UTI (bescherming van haar bedrijfsdebiet en klantenbestand) onbillijk benadeeld. Door de niet kenbare omvangrijke groep relaties die de ex-werknemer niet mag bedienen, loopt deze ex-werknemer namelijk het risico het relatiebeding onbedoeld te overtreden en daarmee een hoog bedrag aan contractuele boetes te verbeuren. Hierdoor wordt de ex-werknemer onbillijk beknot in zijn mogelijkheden om ontslag te nemen en daarna in hetzelfde vakgebied voor een derde of voor zichzelf aan het werk te gaan. Daarmee ontmoedigt de werkgever de werknemer op onbillijke wijze om een dergelijke carrièrestap zelfs maar te overwegen.
7.15.
UTI heeft nog aangevoerd dat het relatiebeding zo uitgelegd moet worden, dat dit zich in ieder geval uitstrekt tot de relaties zoals vermeld op de lijst bij de vaststellingsovereenkomst tussen UTI en [gedaagde 1] en dat het relatiebeding ten aanzien van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] beperkt kan worden tot die groep relaties. De kantonrechter volgt dat standpunt niet. De omstandigheid dat UTI met [gedaagde 1] een nadere afbakening van het relatiebeding is overeengekomen, betekent niet dat het ten aanzien van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] onbillijke beding transponeert in een billijk beding. Zij zijn niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de daarbij behorende lijst met relaties. Bovendien zijn de relaties op deze lijst relaties met wie volgens UTI [gedaagde 1] in het laatste jaar van zijn dienstverband bij UTI contact zou hebben gehad (zie 3.8). Dat wil niet zeggen dat dat ook de relaties zijn geweest met wie [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] in het laatste jaar van hun dienstverband bij UTI contact hebben gehad.
7.16.
De kantonrechter volgt evenmin het standpunt van UTI dat [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] bij het einde van hun dienstverband hadden kunnen vragen welke relaties onder het relatiebeding vallen. Zoals hiervoor al is overwogen was het relatiebeding al bij aanvang van de respectieve arbeidsovereenkomsten onbillijk. Van werknemers mag niet verwacht worden dat zij hun beslissing om hun dienstverband bij UTI te beëindigen laten afhangen van de eventuele bereidwilligheid van UTI om hen ten aanzien van een van aanvang af onbillijk relatiebeding tegemoet te komen.
7.17.
Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is dat UTI ten aanzien van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] een beroep toekomt op het relatiebeding. Dat betekent dat de voor inzage vereiste rechtsbetrekking niet aannemelijk is geworden en het rechtmatig belang bij inzage ontbreekt. Ten aanzien van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn de inzagevorderingen daarom niet toewijsbaar. Voor zover UTI meer aan haar vordering jegens hen ten grondslag heeft gelegd, ontbreekt een deugdelijke onderbouwing.
7.18.
De omstandigheid dat [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet in de procedure zijn verschenen, maakt, gelet op het voorgaande, een en ander niet anders.
[gedaagde 1] en [bedrijf 1]
7.19.
Het bovenstaande geldt niet voor [gedaagde 1] . Zoals hiervoor al is overwogen is hij met UTI in de vaststellingsovereenkomst een afbakening van het relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst overeengekomen. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat onder “cliënten” en “relaties” zoals bedoeld in artikel 8.1 van de arbeidsovereenkomst moet worden begrepen de klanten van UTI waarmee [gedaagde 1] binnen een jaar voorafgaand aan het einde van zijn arbeidsovereenkomst met UTI zaken heeft gedaan. Die klanten zijn vermeld op een lijst die aan de vaststellingsovereenkomst is gehecht (zie 3.8). De vaststellingsovereenkomst brengt mee dat [gedaagde 1] zich niet (meer) kan beroepen op het onbillijk benadelende karakter van het originele relatiebeding met boetebeding zoals opgenomen in zijn arbeidsovereenkomst met UTI.
Rechtsbetrekking
7.20.
De vaststellingsovereenkomst (zie 3.8) in combinatie met het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst tussen UTI en [gedaagde 1] (zie 3.2) verbiedt [gedaagde 1] tot en met 30 november 2022 werkzaam te zijn voor of betrokken te zijn bij de relaties van UTI die zijn vermeld op bijlage 1 bij de vaststellingsovereenkomst. UTI stelt dat [gedaagde 1] de vaststellingsovereenkomst en daarmee het relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst heeft overtreden. UTI baseert dat (onder meer) op e-mails die zij per abuis heeft ontvangen van onder meer haar klanten Pali Geldrop, A-Ware Dairy Ingredients, IFC, Ven Poultry, Eurobois, Westwood en Fruitmasters. Verder beschikt UTI over meerdere boekingen die zijn gedaan door [bedrijf 1] ten behoeve van de klanten [naam 1] Meat en Nicomet Tinplate Steel. Daarnaast heeft een medewerker van UTI een bericht van [gedaagde 2] ontvangen om prijzen van UTI ten aanzien van Tomex te achterhalen en heeft UTI uit de markt vernomen dat [gedaagde 1] / [bedrijf 1] werkzaam zijn of zijn geweest voor Atlas Food A/S, A-ware, Farmel Dairy Products B.V., Feed & Food Trading B.V., Fruitmaster Holland B.V., Globex International Inc., Imepa, Mildkada SP, Tomfrost B.V., [naam 1] Meattrading B.V., Vion Food International B.V en VRC Meet Med B.V., aldus UTI.
7.21.
Ten aanzien van de klanten Pali Geldrop B.V., Nicomet Tinplate Steel B.V. en [naam 1] Meat B.V. heeft [gedaagde 1] erkend dat hij de vaststellingsovereenkomst heeft geschonden. Daarmee is ten aanzien van [gedaagde 1] de voor inzage vereiste rechtsbetrekking aanwezig.
7.22.
In het verlengde daarvan is ook de vereiste rechtsbetrekking voor [bedrijf 1] aanwezig. Het ligt voor de hand dat [bedrijf 1] profiteert van de schending van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde 1] . Aannemelijk is immers dat [bedrijf 1] omzet genereert doordat zij klanten op de lijst bij de vaststellingsovereenkomst kan bedienen. Dat enkele profiteren is op grond van vaste jurisprudentie nog niet onrechtmatig. Dit wordt anders als [bedrijf 1] op de hoogte is van de schending van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde 1] of daarvan op de hoogte behoort te zijn en er bijkomende omstandigheden zijn [8] . Aannemelijk is dat dat hier het geval is. Vaststaat dat [bedrijf 1] wordt beheerst door [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is immers de bestuurder van [bedrijf 1] (zie 3.5). Dit betekent dat de wetenschap van de vermeende schendingen van de vaststellingsovereenkomst aan [bedrijf 1] kan worden toegerekend. Aannemelijk is daarom dat [bedrijf 1] onrechtmatig handelt jegens UTI door niettemin de klanten op de lijst bij de vaststellingsovereenkomst te bedienen en daarvan te profiteren.
Rechtmatig belang
7.23.
UTI heeft ook rechtmatig belang bij (een bepaalde mate van) inzage. Naast de overtredingen die [gedaagde 1] heeft erkend, heeft UTI geconcretiseerd en onderbouwd dat [gedaagde 1] de vaststellingsovereenkomst mogelijk ten aanzien van meer klanten op de lijst heeft geschonden. [gedaagde 1] en [bedrijf 1] hebben die gestelde schendingen weliswaar gemotiveerd weersproken, maar het gaat er in het kader van de incidentele vorderingen van UTI niet om of de vermeende schendingen kunnen worden vastgesteld. Op basis van de door UTI overgelegde stukken valt niet uit te sluiten dat [gedaagde 1] de vaststellingsovereenkomst meer dan alleen ten aanzien van de onder 7.21 vermelde klanten van UTI heeft geschonden. Op UTI rust in de hoofdzaak de stelplicht en de bewijslast van die overtredingen en de daardoor verbeurde boete. UTI heeft aangevoerd dat de branche waarin zij en [bedrijf 1] werkzaam zijn een zeer gesloten branche betreft, waarin de aldaar werkzame partijen een beleid hebben om niets te zeggen en dat UTI daarom is aangewezen op inzage en afschrift om bewijs te vergaren. [gedaagde 1] en [bedrijf 1] hebben dat op zich niet betwist.
Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft UTI daarom een rechtmatig belang bij inzage aan de hand van de namen van de klanten op bijlage 1 bij de vaststellingsovereenkomst (zie hierna 7.28).
7.24.
Naar het oordeel van de kantonrechter beperkt het rechtmatig belang van UTI zich tot 1) de e-mailcorrespondentie verzonden en ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] , 2) de Whatsapp correspondentie, SMS correspondentie en ander berichtverkeer verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] , 3) offertes, prijsopgaven en opdrachtbevestigingen verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] en 4) facturen opgemaakt en/of verzonden door [bedrijf 1] . Daaruit zal immers kunnen worden opgemaakt wat de aard en omvang is van eventuele schendingen van de vaststellingsovereenkomst. Aan de hand daarvan kan UTI vervolgens de omvang van de boete/schade bepalen. In het verlengde daarvan kan de schade als gevolg van het onrechtmatig profiteren door [bedrijf 1] worden bepaald.
7.25.
Dat geldt niet voor de onder iii) (zie 5.1) vermelde ‘andere documenten’. Niet duidelijk is welke documenten dat zijn, zodat op dat punt sprake is van onvoldoende bepaalde bescheiden waarbij een rechtmatig belang tot inzage ontbreekt.
7.26.
Het rechtmatig belang ontbreekt ook bij de gevorderde inzage in de financiële administratie en bancaire gegevens. Ten aanzien van de financiële administratie stelt UTI dat de offertes, orderbevestigingen, boekingen en facturen in de (financiële) administratie zijn opgenomen. Zoals hiervoor is overwogen verkrijgt UTI al inzage in de offertes, prijsopgaven en opdrachtbevestigingen verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] en/of [gedaagde 1] . In zoverre heeft UTI geen rechtmatig belang bij inzage in de financiële administratie van [bedrijf 1] . UTI heeft niet toegelicht welk ander rechtmatig belang zij bij inzage in de financiële administratie heeft. Ten aanzien van de bancaire gegevens heeft UTI evenmin gesteld en onderbouwd wat haar rechtmatig belang bij inzage hierin is.
7.27.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft UTI ook geen rechtmatig belang bij inzage in het register van aandeelhouders in [bedrijf 1] . UTI heeft niet toegelicht waarom de inhoud van het aandeelhoudersregister van belang is voor het vaststellen van de aard en de omvang van de schendingen van de vaststellingsovereenkomst. UTI stelt dat de aandeelhouders bij uitstek profiteren van de schending van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde 1] en dat zij daarom wil weten wie de aandeelhouders zijn, zodat zij hen in rechte kan betrekken. Die enkele stelling levert echter in samenhang met de vereiste rechtsbetrekking geen rechtmatig belang op. Voor aandeelhoudersaansprakelijkheid geldt een hoge drempel. UTI heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat die drempel wordt gehaald.
Bepaaldheid
7.28.
De bescheiden zoals vermeld onder 7.24 zijn naar het oordeel van de kantonrechter voldoende bepaald omschreven. UTI heeft haar vordering tot inzage immers beperkt tot bescheiden waarin bepaalde zoektermen voorkomen. Deze zoektermen zijn voldoende concreet en specifiek. De zoektermen zijn namelijk de namen van de klanten die zijn vermeld op de bijlage bij de vaststellingsovereenkomst. Dit zijn de klanten die [gedaagde 1] op grond van de vaststellingsovereenkomst in combinatie met het relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst niet mocht bedienen.
7.29.
De inzage zal verder alleen worden toegewezen over de periode 15 februari 2022 tot en met 30 november 2022. De vaststellingsovereenkomst is tot stand gekomen op 15 februari 2022, nadat UTI [gedaagde 1] had verweten dat hij het in zijn arbeidsovereenkomst met UTI opgenomen relatiebeding had geschonden. In de vaststellingsovereenkomst zijn UTI en [gedaagde 1] overeengekomen dat zij na uitvoering van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben en dat zij elkaar
“algehele finale kwijting (…) verlenen ten aanzien van de vermeende schendingen van het relatiebeding door [gedaagde 1] (…) tot aan de ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst en de als gevolg daarvan vermeend verbeurde boetes, ontstane kosten en/of geleden schade en eventueel nog te lijden kosten en/of schade (…)”(zie 3.8). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde 1] de vaststellingsovereenkomst zo mogen begrijpen dat UTI daarmee finale kwijting heeft verleend ten aanzien van alle eventuele schendingen van het relatiebeding tot het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst en niet slechts ten aanzien van tot dat moment bij UTI bekende vermeende overtredingen. Het gaat hier om een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro. Een vaststellingsovereenkomst is naar zijn aard bedoeld om een einde te maken aan een geschil tussen partijen en eenduidig de rechtsverhouding tussen partijen te regelen. Indien UTI een voorbehoud had willen maken voor vermeende schendingen van het relatiebeding die haar nog niet bekend waren ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, had het op haar weg gelegen om daarvoor expliciet een voorbehoud te maken. Dat geldt temeer nu in de vaststellingsovereenkomst ook derdenbedingen zijn opgenomen. In de vaststellingovereenkomst is een dergelijk voorbehoud echter niet opgenomen en UTI heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen een dergelijk voorbehoud op andere wijze zijn overeengekomen.
Tegen de achtergrond van het voorgaande mocht [gedaagde 1] er met het tekenen van de vaststellingsovereenkomst vanuit gaan dat er, behoudens de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken, geen verdere verplichtingen jegens UTI meer zouden bestaan.
7.30.
Uit het voorgaande volgt dat UTI bij inzage vóór 15 februari 2022 geen rechtmatig belang heeft. UTI heeft ook geen rechtmatig belang bij inzage na 30 november 2022. Het relatiebeding van [gedaagde 1] gold namelijk voor de duur van één jaar en de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 1] is geëindigd op 30 november 2021 (zie 3.4).
Bedrijfsgevoelige informatie
7.31.
[gedaagde 1] en [bedrijf 1] voeren aan dat er bij inzage concurrentiegevoelige informatie bij UTI bekend kan worden. Bij houtklanten doet [bedrijf 1] geen zaken met de verscheper, maar met de verkoper, de leverancier. Door deze werkwijze is het mogelijk dat namen op de lijst bij de vaststellingsovereenkomst in de administratie van [bedrijf 1] voorkomen, terwijl [bedrijf 1] zelf geen zaken heeft gedaan met deze klanten. Als er inzage moet worden verleend, dan moeten de houtklanten hier buiten vallen, aldus [gedaagde 1] en [bedrijf 1] .
7.32.
De omstandigheid dat UTI mogelijk inzage krijgt in bedrijfsgevoelige informatie van [bedrijf 1] waarbij zij geen rechtmatig belang heeft, is onvoldoende reden om de vordering af te wijzen. Ten eerste heeft de inzage betrekking op een afgebakende periode drie jaar geleden (zie 7.29). Daarnaast wordt het type bescheiden waar inzage in moet worden verschaft beperkt (zie 7.24). UTI krijgt ook alleen inzage in bescheiden waarin (een onderscheidend deel van) de klantnamen zoals vermeld op de lijst bij de vaststellingsovereenkomst voorkomen (zie 7.28). Daarmee wordt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gewaarborgd dat UTI geen inzage krijgt in bedrijfsgevoelige informatie die niet aan de schending van de vaststellingsovereenkomst is gerelateerd.
7.33.
Bij een grote hoeveelheid digitale bestanden valt niet uit te sluiten dat afbakening aan de hand van zoekwoorden ertoe leidt dat sommige bestanden ten onrechte tot de geselecteerde bestanden behoren en andere bestanden ten onrechte niet. Deze omstandigheid is op zichzelf niet een voldoende reden om een inzagevordering af te wijzen. Ook in dat geval kan het rechtmatig belang van degene die inzage vordert in de aldus geselecteerde bescheiden zwaarder wegen dan het belang van degene die tegen inzage bezwaar maakt op de grond dat mogelijk niet bij alle geselecteerde bescheiden een rechtmatig belang bij inzage bestaat [9] .
7.34.
Zoals hiervoor al is overwogen moet inzage worden verstrekt over een afgebakende periode, inmiddels drie jaar geleden. Mede tegen die achtergrond valt niet in te zien dat [gedaagde 1] en [bedrijf 1] er daadwerkelijk nadeel van ondervinden als UTI mogelijk inzage krijgt in bescheiden waarin een naam op de lijst voorkomt, zonder dat sprake is van schending van de vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt het belang van UTI bij inzage daarom zwaarder dan het belang van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] bij bescherming van eventuele bedrijfsgevoelige informatie.
Slotsom
7.35.
Op grond van het voorgaande zullen de inzagevorderingen van UTI tegen [gedaagde 1] en [bedrijf 1] worden toegewezen op de in het dictum te vermelden wijze. Daarbij geldt dat de gerechtelijk bewaarder ( [bedrijf 3] ) aan de hand van (een onderscheidend deel van) de klantennamen zoals vermeld in bijlage 1 bij de vaststellingsovereenkomst de in bewaring gegeven bescheiden moet selecteren en UTI een afschrift moet verstrekken van de geselecteerde bescheiden, voor zover de geselecteerde bescheiden betrekking hebben op de periode 15 februari 2022 tot en met 30 november 2022 (zie 7.28 tot en met 7.30).
7.36.
Voor zover sprake is van versleutelde bestanden zijn [gedaagde 1] en [bedrijf 1] gehouden om mee te werken om voor de deurwaarder, bijgestaan door een ICT-deskundige, toegang tot deze versleutelde bestanden mogelijk te maken op na te melden wijze. De mede gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.
7.37.
De inzagevorderingen tegen [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zullen worden afgewezen (zie 7.11 tot en met 7.18)
Geen tussentijds hoger beroep
7.38.
[gedaagde 1] en [bedrijf 1] hebben verzocht het instellen van tussentijds hoger beroep in het incident toe te staan. Zij voeren aan dat eventuele inzage onomkeerbare gevolgen heeft. Als UTI eenmaal kennis heeft genomen van informatie die door het beslag is geraakt, kan dat niet meer ongedaan worden gemaakt.
7.39.
Op grond van artikel 337 lid 2 Rv Pro kan van een tussenvonnis slechts tegelijk met dat van het eindvonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Dit geldt ook voor een vonnis waarbij is beslist op een incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv. De wetgever heeft tussentijds beroep in artikel 337 lid 2 Rv Pro uitgesloten om fragmentatie van de instructie van de zaak, vertraging en processuele complicaties, een en ander als gevolg van tussentijds hoger beroep, tegen te gaan en aldus de doelmatigheid en snelheid van de procedure te bevorderen [10] . Slechts in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken.
7.40.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv Pro rechtvaardigen. Het gaat hier om inzage in bescheiden die al in 2022 in beslag zijn genomen. [gedaagde 1] en [bedrijf 1] hebben vervolgens zonder succes in drie instanties geprocedeerd over de gegrondheid van de beslagen. Indien tussentijds hoger beroep wordt toegestaan tegen dit vonnis, zou de procedure nog langer duren en daarmee onredelijk vertraagd worden. Mede tegen deze achtergrond is het enkele feit dat de beslissing tot het verlenen van inzage onomkeerbare gevolgen kan hebben, onvoldoende voor een uitzondering op het in artikel 337 Rv Pro neergelegde verbod op tussentijds hoger beroep. Voor het overige hebben [gedaagde 1] en [bedrijf 1] geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die afwijking van het wettelijk stelsel rechtvaardigen.
7.41.
De kantonrechter houdt de beslissingen omtrent de kosten van het incident aan, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

8.De beoordeling in beide zaken in de hoofdzaak

8.1.
Het ligt in de rede dat UTI zich na kennisname van de kopieën van bescheiden die zij via de deurwaarder verkrijgt, nader schriftelijk zal willen uitlaten in de hoofdzaak. De kantonrechter zal de zaak daarom naar de rol op een termijn van drie maanden verwijzen voor het nemen van een nadere conclusie na inzageverrichtingen door UTI. Daarna zullen [gedaagde 1] en [bedrijf 1] in de gelegenheid worden gesteld een conclusie van antwoord te nemen. Vervolgens zal in beginsel een mondelinge behandeling worden bepaald.
8.2.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

9.De beslissing

De kantonrechter
in zaak 10573640 CV EXPL 23-18110
in incident
in conventie
9.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om na betekening van dit vonnis toe te staan en te gedogen dat een deurwaarder van LAVG, bijgestaan door een ICT-deskundige van [bedrijf 3] , inzage verkrijgt in de bescheiden die op grond van de beschikking van 14 februari 2023 (met de herstelbeschikking van 15 februari 2023) en de beschikking van 26 mei 2023 in beslag zijn genomen en die zich thans in gerechtelijke bewaring bevinden, en aan UTI afschrift verstrekt van:
e-mailcorrespondentie verzonden en ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ,
Whatsapp correspondentie, SMS correspondentie en ander berichtenverkeer verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ,
Offertes, prijsopgaven en opdrachtbevestigingen verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ,
Facturen opgemaakt en/of verzonden door [bedrijf 1] ,
met dien verstande dat UTI slechts recht heeft op afschrift van de onder 9.1 vermelde bescheiden:
voor zover die zien op de periode van 15 februari 2022 tot en met 30 november 2022,
voor zover daarin een of meer namen van klanten van UTI zoals vermeld op bijlage 1 bij de vaststellingsovereenkomst, of een onderscheidend deel van deze namen voorkomen, ook als deze namen zijn vermeld als ‘verzender’, ‘ontvanger’, ‘bcc’, ‘cc’ of ‘forward’,
voor zover die bescheiden geen correspondentie tussen [gedaagde 1] en [bedrijf 1] en hun advocaat betreffen,
9.2.
beveelt [gedaagde 1] om, voor zover sprake is van versleutelde bestanden, op een termijn van 7 dagen na een schriftelijk verzoek daartoe alle medewerking te verlenen om de deurwaarder en/of de ICT-deskundige toegang te verlenen tot deze bestanden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] geen gevolg geeft aan het hiervoor bedoelde schriftelijk verzoek, met een maximum van € 100.000,00,
9.3.
wijst af het meer of anders gevorderde,
9.4.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,
in reconventie
9.5.
wijst de vorderingen af,
9.6.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,
in de hoofdzaak
9.7.
verwijst de zaak naar de rol van
14 mei 2026 om 11.30 uurvoor nadere conclusie na inzageverrichtingen aan de zijde van UTI,
9.8.
verstaat dat, zodra UTI haar nadere conclusie heeft genomen, de zaak zal worden verwezen naar de rol op een termijn van vier weken ter gelegenheid waarvan [gedaagde 1] een conclusie van antwoord kan nemen, waarna in beginsel een mondelinge behandeling zal worden bepaald,
9.9.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in zaak 10825786 CV EXPL 23-32429
in incident
in conventie
9.10.
veroordeelt [bedrijf 1] om na betekening van dit vonnis toe te staan en te gedogen dat een deurwaarder van LAVG, bijgestaan door een ICT-deskundige van [bedrijf 3] , inzage verkrijgt in de bescheiden die op grond van de beschikking van 14 februari 2023 (met de herstelbeschikking van 15 februari 2023) en de beschikking van 26 mei 2023 in beslag zijn genomen en die zich thans in gerechtelijke bewaring bevinden, en aan UTI afschrift verstrekt van:
e-mailcorrespondentie verzonden en ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ,
Whatsapp correspondentie, SMS correspondentie en ander berichtenverkeer verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ,
Offertes, prijsopgaven en opdrachtbevestigingen verzonden en/of ontvangen door [bedrijf 1] en [gedaagde 1] ,
Facturen opgemaakt en/of verzonden door [bedrijf 1] ,
met dien verstande dat UTI slechts recht heeft op afschrift van de onder 9.1 vermelde bescheiden:
voor zover die zien op de periode van 15 februari 2022 tot en met 30 november 2022,
voor zover daarin een of meer namen van klanten van UTI zoals vermeld op bijlage 1 bij de vaststellingsovereenkomst, of een onderscheidend deel van deze namen voorkomen, ook als deze namen zijn vermeld als ‘verzender’, ‘ontvanger’, ‘bcc’, ‘cc’ of ‘forward’,
voor zover die bescheiden geen correspondentie tussen [gedaagde 1] en [bedrijf 1] en hun advocaat betreffen,
9.11.
beveelt [bedrijf 1] om, voor zover sprake is van versleutelde bestanden, op een termijn van 7 dagen na een schriftelijk verzoek daartoe alle medewerking te verlenen om de deurwaarder en/of de ICT-deskundige toegang te verlenen tot deze bestanden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [bedrijf 1] geen gevolg geeft aan het hiervoor bedoelde schriftelijk verzoek, met een maximum van € 100.000,00,
9.12.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,
in reconventie
9.13.
wijst de vorderingen af,
9.14.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,
in de hoofdzaak
9.15.
verwijst de zaak naar de rol van
14 mei 2026 om 11.30 uurvoor nadere conclusie na inzageverrichtingen aan de zijde van UTI,
9.16.
verstaat dat, zodra UTI haar nadere conclusie heeft genomen, de zaak zal worden verwezen naar de rol op een termijn van vier weken ter gelegenheid waarvan [bedrijf 1] een conclusie van antwoord kan nemen, waarna in beginsel een mondelinge behandeling zal worden bepaald,
9.17.
houdt iedere verdere beslissing aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
20318/375

Voetnoten

4.HR 31 oktober 2025; ECLI:NL:HR:2025:1631
5.Met uitzondering van het standpunt over het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2025
6.artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
7.Zie conclusie AG voor HR 5 december 2025; ECLI:PHR:2025:753 onder 4.6
8.HR 26 januari 2007, ECLI:HR:2007:AZ1084, en HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740
9.HR 29 november 2024; ECLI:NL:HR:2024:1773
10.Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264, r.o. 3.6.2