Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
4.
[gedaagde 4],
5.
[gedaagde 5],
1.De zaken in het kort
2.De procedure
3.De feiten
Het is [gedaagde 1] toegestaan contacten te hebben en zaken te doen met leveranciers van UTI en klanten van UTI die niet zijn genoemd in bijlage 1;
Het is [gedaagde 1] verder toegestaan om werkzaamheden te verrichten voor, c.q. samen te werken met (…) Westwood B.V., (…) welke vennootschap klant was bij UTI en de zakelijke relatie met UTI heeft beëindigd.
Het is [gedaagde 1] direct of indirect niet toegestaan oneerlijke concurrentie te bedrijven met UTI.
4.De vorderingen in de hoofdzaken
5.De inzagevorderingen in incident in beide zaken
6.De vorderingen in reconventie in incident in beide zaken
7.De beoordeling in beide zaken in incident
fishing expeditionsbuiten de deur worden gehouden [7] .
“algehele finale kwijting (…) verlenen ten aanzien van de vermeende schendingen van het relatiebeding door [gedaagde 1] (…) tot aan de ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst en de als gevolg daarvan vermeend verbeurde boetes, ontstane kosten en/of geleden schade en eventueel nog te lijden kosten en/of schade (…)”(zie 3.8). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde 1] de vaststellingsovereenkomst zo mogen begrijpen dat UTI daarmee finale kwijting heeft verleend ten aanzien van alle eventuele schendingen van het relatiebeding tot het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst en niet slechts ten aanzien van tot dat moment bij UTI bekende vermeende overtredingen. Het gaat hier om een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro. Een vaststellingsovereenkomst is naar zijn aard bedoeld om een einde te maken aan een geschil tussen partijen en eenduidig de rechtsverhouding tussen partijen te regelen. Indien UTI een voorbehoud had willen maken voor vermeende schendingen van het relatiebeding die haar nog niet bekend waren ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, had het op haar weg gelegen om daarvoor expliciet een voorbehoud te maken. Dat geldt temeer nu in de vaststellingsovereenkomst ook derdenbedingen zijn opgenomen. In de vaststellingovereenkomst is een dergelijk voorbehoud echter niet opgenomen en UTI heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen een dergelijk voorbehoud op andere wijze zijn overeengekomen.
8.De beoordeling in beide zaken in de hoofdzaak
9.De beslissing
14 mei 2026 om 11.30 uurvoor nadere conclusie na inzageverrichtingen aan de zijde van UTI,
14 mei 2026 om 11.30 uurvoor nadere conclusie na inzageverrichtingen aan de zijde van UTI,