ECLI:NL:RBROT:2026:1938

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/4510
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bestuurlijke boete

Eiseres stelde beroep in tegen een bestuurlijke boete opgelegd door verweerder wegens het niet tijdig retourneren van een vragenlijst. Het beroep werd ingesteld op 2 juni 2025, terwijl het bestreden besluit dateert van 10 april 2024. De rechtbank beoordeelde of het beroep ontvankelijk was, waarbij de termijn van zes weken voor het indienen van het beroepschrift centraal stond.

De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend en onderzocht vervolgens of de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Eiseres voerde aan dat zij door een medewerker van verweerder was gerustgesteld dat de beslissing op bezwaar zou worden heroverwogen, waardoor zij mocht vertrouwen op het niet hoeven instellen van beroep. De rechtbank oordeelde dat deze toezegging niet aannemelijk was en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding niet aan haar kon worden toegerekend.

De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel en stelde dat zelfs als een toezegging was gedaan, dit niet automatisch betekende dat beroep niet nodig was. Eiseres had pro-forma beroep moeten instellen om de termijn veilig te stellen. Gezien het voorgaande verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij het griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.W. Walraven),
en

de Directeur-Generaal van de Statistiek, verweerder

(gemachtigden: mr. P.J.M. Koenen en [persoon A] ).

Samenvatting

1.
1.1.
Deze uitspraak gaat over een besluit van verweerder om een bestuurlijke boete op te leggen aan eiseres wegens het niet tijdig retourneren van een vragenlijst. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het beroep van eiseres ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank beoordeelt of het beroep voldoet aan de door de wet gestelde vereisten om het beroep in behandeling te kunnen nemen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet aan de wet gestelde vereisten voldoet om het beroep in behandeling te kunnen nemen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Eiseres heeft op 2 juni 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 april 2024 (het bestreden besluit). In het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen de bestuurlijke boete ongegrond verklaard. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon B] namens eiseres en de gemachtigden van verweerder.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Eiseres heeft hiervan gebruik gemaakt en op 12 december 2025, door tussenkomst van een advocaat, nadere stukken ingediend. Verweerder heeft op 19 december 2025 op deze stukken gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft op 8 januari 2026 aan partijen laten weten voldoende te zijn voorgelicht om een uitspraak te doen en dat zij geen nadere zitting nodig acht. Partijen hebben laten weten geen nadere zitting te wensen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Toetsingskader

3.
3.1.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. [1] Het beroepschrift dient voor het einde van de termijn te zijn ontvangen. [2] Wanneer een beroepschrift niet voor het einde van de termijn is ontvangen, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3.2.
De niet-ontvankelijkheid blijft achterwege wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. [3] Dit betekent dat, als eenmaal is vastgesteld dat de termijn is overschreden, moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding verwijtbaar of juist verschoonbaar is.
3.3.
In dat verband zijn twee aspecten van belang. De rechtbank moet beoordelen of het niet tijdig indienen van het beroepschrift aan eiseres kan worden verweten en dus toegerekend en, als dat niet het geval is, of eiseres het beroepschrift zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd hebben ingediend. Alleen dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar. [4]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep tijdig ingediend?
4. Eiseres betwist niet dat zij het beroep niet tijdig heeft ingediend. Het beroepschrift dateert van 29 mei 2025 en is voor ontvangst gestempeld door de Centrale Informatiebalie van de rechtbank Rotterdam op 2 juni 2025. Beide data zijn zeven of meer weken na de datum van het bestreden besluit. Daarmee staat vast dat eiseres het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
5.1.
Eiseres voert aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [persoon B] ( [persoon B] ) stelt na de beslissing op bezwaar met verweerder te hebben gebeld en dat een medewerker van verweerder toen het volgende heeft gezegd:
“Ik ga het bespreken en ga ervan uit dat we er met elkaar uitkomen. U hoort nog van ons.”Eiseres is van mening dat zij door verweerder aan het lijntje is gehouden en dat zij op deze verklaring mocht vertrouwen. Toen een reactie van verweerder uitbleef heeft eiseres alsnog beroep ingesteld. Ter staving van haar standpunt heeft eiseres een verklaring van een medewerker ingebracht die getuige is geweest van het door [persoon B] gevoerde telefoongesprek. Tevens heeft eiseres ten bewijze van een gevoerd telefoongesprek gegevens van de provider overgelegd.
5.2.
De rechtbank ziet in hetgeen eiseres aanvoert geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
5.3.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [5] moeten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen worden doorlopen. Allereerst moet de betrokkene aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent namelijk niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan.
De rechtbank acht het in het algemeen voorstelbaar dat bij een ondubbelzinnige toezegging van een bestuursorgaan dat een beslissing op bezwaar zal worden ingetrokken, het te laat instellen van beroep niet verwijtbaar kan zijn.
5.4.
Niet in geding is dat eiseres de beslissing op bezwaar op 11 april 2025 heeft ontvangen. Vast staat dat terwijl de beroepstermijn liep, door eiseres op 29 april 2025 is gebeld met verweerder. Verweerder heeft hiervan een telefoonnotitie gemaakt met de volgende inhoud:
“Dhr. van [persoon B] gesproken. Hij is kwaad en gaat naar de rechtbank beroep aantekenen. Hij vroeg hoe dit moest. Verwezen naar de rechtbank zelf. Hij gaat ook de media erbij halen.”Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit gesprek door verweerder de toezegging is gedaan de beslissing opnieuw te heroverwegen. De rechtbank heeft, mede gelet op het procesverloop en de wisselingen van standpunten tot dan toe, ook geen aanleiding om te veronderstellen dat verweerder na de beslissing op bezwaar deze opnieuw zou willen heroverwegen. Verweerder heeft verder in haar systemen onderzocht of meer telefoongesprekken hebben plaatsgevonden, maar heeft daarover niets aangetroffen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er, behoudens het gesprek op 29 april 2025, telefonisch contact met verweerder heeft plaatsgevonden waarin een toezegging tot heroverweging is gedaan. De rechtbank heeft eiseres de mogelijkheid geboden om door middel van de belgeschiedenis aan te tonen dat zij contact heeft gehad met verweerder. Eiseres heeft met haar aanvullende reactie van 12 december 2025 slechts aangetoond dat [persoon B] op 10 juni 2025 heeft gebeld met verweerder. Dit gesprek duurde 52 seconden en dateerde van nadat eiseres al beroep had ingesteld. Dat er na het einde van beroepstermijn nog contact is geweest met verweerder, kan geen bewijs vormen voor verschoonbaarheid. De termijn was toen immers al verstreken.
Eiseres heeft een verklaring overgelegd van een medewerker van eiseres die bij het telefoongesprek tussen [persoon B] en verweerder aanwezig was. Voor zover deze verklaring, zoals in het aanvullende schrijven van 12 december 2025 aangegeven, ziet op het gesprek van 10 juni 2025 kan het geen grond vormen voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, omdat de termijn toen reeds ruim verstreken was en eiseres inmiddels (te laat) beroep had ingesteld. Daarbij komt dat zoals verweerder de reactie van 19 december 2025 heeft aangegeven deze strekking van het telefoongesprek zich niet laat rijmen met de kort na dit telefoongesprek op 10 juni 2025 door eiseres aan verweerder verstuurde e-mail met de volgende inhoud:
“Hierbij reageer ik op de schandelijke gang van zaken over dit dossier. Ik heb bezwaar gemaakt en laat het voor de rechter komen. De televisie zal ook aanwezig zijn om deze ernstige vorm van oneerlijkheid en bureaucratie aan het licht te brengen voor heel Nederland en de politiek. Ik betaal dus niets want ik ga deze zaak zeker winnen met het bewijs wat ik nog achter de hand heb. Schaam jullie diep! In plaats van ondernemers te helpen is dit ondernemertje pesten en een ernstige vorm van geldverkwisting voor de maatschappij.”De rechtbank ziet in de verklaring dan ook geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat ook als telefonisch van de zijde van verweerder wel een uitlating met een dergelijke strekking zou zijn gedaan, eiseres hieraan nog niet de verwachting kon ontlenen dat de bestuurlijke boete zou komen te vervallen en er dus geen beroep hoefde te worden ingesteld. Het was dan immers ook mogelijk dat verweerder na intern overleg toch bij handhaving van het besluit zou blijven. Ook geldt daarbij dat in de lezing van eiseres de medewerker van verweerder op enig moment verklaarde dat zij dit niet zelfstandig kon beslissen, maar dat zij het ging overleggen. Daarmee is dan geen sprake van een persoon die namens het bevoegde orgaan een toezegging kan hebben gedaan waaraan de verwachting mocht worden ontleend dat de boete van tafel zou gaan.
Het had daarom, uitgaande van de stelling van eiseres, op zijn minst op haar weg gelegen om een reactie van verweerder niet af te wachten, maar (pro-forma) beroep in te stellen, zodat zij de beroepstermijn kon veiligstellen. Eiseres had in dat geval een nadere termijn gekregen om de beroepsgronden aan te vullen en zij had die termijn eventueel kunnen gebruiken om nog met verweerder in gesprek te gaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
4.Zie voor het juridisch kader ten aanzien van de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31
5.Zie bijvoorbeeld: uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 en 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2180.