ECLI:NL:RBROT:2026:1940

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/610
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2.3.5 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Artikel 5.1 Bijlage 1 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Artikel 2.5 Bijlage 1 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken medische noodzaak en geen toepassing hardheidsclausule

Eiser heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor een benedenwoning vanwege gezondheidsproblemen, waaronder een hersen- en hartinfarct, omdat hij met zijn gezin op een bovenwoning zonder lift woont. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van een verzekeringsarts, die concludeerde dat eiser geen ernstige, blijvende aandoening heeft en geen dringende noodzaak tot verhuizing binnen drie maanden bestaat.

Eiser maakte bezwaar en stelde dat het medisch advies onvoldoende was gemotiveerd en niet actueel, en dat hij niet adequaat is gehoord. De rechtbank oordeelt dat het college terecht is uitgegaan van het zorgvuldige en begrijpelijke medisch advies, dat eiser persoonlijk is onderzocht en dat eiser geen aanvullende medische stukken heeft overgelegd. Ook is het recht op horen niet geschonden omdat het college voldoende pogingen heeft gedaan om contact te leggen.

Verder stelde eiser dat de hardheidsclausule onjuist is toegepast, maar de rechtbank stelt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat zijn situatie schrijnend of uitzonderlijk is. De afwijzing van de urgentieverklaring blijft daarom in stand. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen urgentieverklaring.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van medische noodzaak en geen schrijnende situatie voor toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/610

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),
en
college van burgemeester en wethouders van Rotterdam [1] ,
(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring voor eiser. Het college wijst de aanvraag af omdat er geen medische noodsituatie is. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich bij de afwijzing heeft kunnen baseren op het advies van de verzekeringsarts over de medische situatie van eiser. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 25 juli 2024 heeft het college de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring vanwege een medische noodzaak afgewezen.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Met het bestreden besluit van 23 december 2024 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 15 maart 2024 heeft eiser vanwege zijn gezondheidsproblemen (waaronder een hersen- en hartinfarct) een urgentieverklaring aangevraagd voor een benedenwoning. Hij woont met zijn vrouw en drie meerderjarige kinderen op een bovenwoning zonder lift.
3.1.
Met het besluit van 25 juli 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen. Daarbij verwijst het college naar het advies van de medisch adviseur (een verzekeringsarts) van het team Sociaal Medische Advisering (SMA) van 25 juli 2024. Uit het advies volgt dat eiser niet snel (binnen drie maanden) een andere woning nodig heeft. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat eiser geen ernstige, lichamelijke en/of geestelijke aandoening van blijvende aard heeft. De forse beperkingen zijn door een revalidatiebehandeling sterk verminderd en uit lichamelijk onderzoek blijkt dat sprake is van minimale restverschijnselen. Met aanvullende behandeling is verdere verbetering mogelijk. De verzekeringsarts heeft zich voor het advies gebaseerd op het medisch dossier en een gericht lichamelijk onderzoek.
3.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Hij wil een nieuwe beoordeling omdat hij door zijn gezondheidsproblemen en medicijngebruik geen trappen kan lopen en ook opnieuw een hersen- of hartinfarct kan krijgen.
3.3.
Met het bestreden besluit van 23 december 2024 blijft het college bij zijn eerste besluit. Het college geeft aan dat eiser geen advies van een andere deskundige heeft ingebracht. Omdat de medisch adviseur desgevraagd bij het advies van 25 juli 2024 blijft, is er geen reden om het eerdere besluit te wijzigen. Het college heeft ambtshalve geoordeeld dat eiser geen aanspraak maakt op toepassing van de hardheidsclausule, omdat geen sprake is van dermate acute omstandigheden die zeer ernstig en afwijkend zijn van andere woningzoekenden waarmee bij het vaststellen van het beleid geen rekening is gehouden.
3.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Toetsingskader
4. In een persoonlijke noodsituatie kan een huishouden in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. [2] Van een persoonlijke medische noodsituatie kan sprake zijn als iemand van het huishouden bekend is met medische problematiek en de woonruimte in ernstige mate duurzaam ongeschikt is voor bewoning door het huishouden. [3] Als een strikte toepassing van de regeling niet leidt tot een urgentieverklaring, kan met een beroep op de hardheidsclausule alsnog een urgentieverklaring worden afgegeven als de weigering leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere omstandigheden die bij het vaststellen van de regels niet is voorzien. [4]
4.1.
De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Zijn het medisch advies en bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiser stelt dat de verzekeringsarts van het SMA zijn medische situatie heeft onderschat en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de medische klachten niet leiden tot een urgentieverklaring. Het advies mist ook een analyse van de ernst van de beperkingen en bevat geen afweging van het valrisico in relatie tot de trapopgang. Verder stelt eiser dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op de (destijds) actuele medische situatie, terwijl een
ex nunctoetsing dat wel vereist. Omdat eiser niet heeft kunnen reageren op het advies en het college ook heeft nagelaten eiser te horen op de hoorzitting, zijn het advies en het daarop gebaseerde bestreden besluit bovendien onzorgvuldig tot stand gekomen.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat voor de beoordeling van een aanvraag voor een medische urgentieverklaring mag worden afgegaan op het advies van een deskundige als (i) dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen; (ii) de redenering daarin begrijpelijk is; en (iii) de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. [5]
5.2.
De rechtbank oordeelt dat het college zich mocht baseren op het medisch advies van de verzekeringsarts van het SMA. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts eiser in persoon heeft gezien en gericht lichamelijk heeft onderzocht. De arts heeft de beschikbare medische informatie betrokken en ook gekeken naar de kenmerken van de woonsituatie. Eiser heeft geen nadere (medische) stukken ingediend op grond waarvan het college hoefde te twijfelen aan de juistheid van dit advies. Ook in beroep heeft eiser dergelijke stukken niet ingebracht. Het college kon er dan ook van uitgaan dat geen sprake was van een medische noodzaak voor verhuizing. Anders dan eiser stelt, hoeft het college zonder nieuwe informatie in bezwaar geen volledig nieuw onderzoek te verrichten naar de medische situatie. Eiser heeft ook in beroep niet met stukken aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een medische noodzaak. De enkele stelling van eiser dat de combinatie van zijn beperkingen voldoende aanleiding geeft voor het verkrijgen van een urgentieverklaring, is onvoldoende. In dat opzicht verschilt de situatie van eiser met de uitspraken waarnaar door eiser wordt verwezen. Nog los van het feit dat die uitspraken zien op andere toetsingskaders, is in die zaken in bezwaar wel nadere medische informatie ingebracht [6] of zijn de klachten op andere wijze aannemelijk gemaakt. [7] Daarbij overweegt de rechtbank dat de stelling van eiser dat hij geen mogelijkheid heeft gehad om te reageren op het medisch advies, onjuist is. De verzekeringsarts van het SMA heeft in het advies aangegeven dat het conceptadvies is besproken met eiser en eiser zich kon verenigen met de strekking van dit advies. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat ook geen juridische grondslag bestaat om het medisch advies op een ander moment dan in bezwaar ter discussie te stellen.
5.3.
Ten aanzien van het horen in bezwaar volgt de rechtbank het standpunt van het college dat het recht van eiser om te worden gehoord niet is geschonden. Het college heeft op verzoek van eiser voor de hoorzitting een telefonische afspraak gemaakt. Nadat het college eiser op het afgesproken moment niet heeft kunnen bereiken, is nog twee keer gebeld op het telefoonnummer dat door eiser is doorgegeven. Eiser heeft naderhand zelf geen contact meer opgenomen om zijn bezwaren alsnog nader toe te lichten. De rechtbank oordeelt dat het college in die situatie eiser niet nog een keer in de gelegenheid hoefde te stellen eiser om gehoord te worden.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Valt eiser onder de hardheidsclausule?
6. Eiser stelt verder dat het college de hardheidsclausule onjuist heeft toegepast en een inhoudelijke motivering en belangenafweging ontbreekt.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule kan worden toegepast als door de afwijzing van een aanvraag bij de strikte toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling 2024 een schrijnende situatie ontstaat. Die situatie kan – anders dan het college stelt – ook bestaan als een aanvrager niet voldoet aan de vereisten voor een urgentieverklaring op grond van een strikte toepassing van de vereisten van een medische noodzaak. Dit helpt eiser echter niet. Het is in die situatie aan eiser om aan te tonen dat de situatie dusdanig uitzonderlijk is dat hij zich onderscheidt van andere woningzoekenden dat het weigeren van een urgentieverklaring in dit geval een schrijnende situatie oplevert. [8] Hoewel het begrijpelijk is dat eiser gelet op zijn gezondheidsproblemen een voorkeur heeft voor een benedenwoning, is niet aannemelijk gemaakt dat het niet verkrijgen van een benedenwoning leidt tot een schrijnende situatie. Ook heeft eiser geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat eiser toch in aanmerking moet komen voor een urgentieverklaring. Het college heeft ter zitting aangegeven dat dit bijvoorbeeld kan spelen in geval van een levensbedreigende situatie. Het is niet gebleken dat hiervan sprake is.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dat betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.W. Brande, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
Artikel 2.3.5. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring
Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.
In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:
a. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,
b. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,
c. de inhoud van deze verklaringen en
d. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.

Bijlage 1 – Artikel 5.1. Medische noodzaak

De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor als de aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden:
thans rechtmatig zelfstandige woonruimte bewoont; en,
bekend is met medische problematiek, welke tot gevolg heeft dat de huidige zelfstandige woonruimte in ernstige mate duurzaam ongeschikt is voor bewoning door het huishouden van aanvrager.

Bijlage 1 – Artikel 2.5. Hardheidsclausule

1. Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

Voetnoten

1.Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR) heeft op grond van artikel 2.2., derde lid, van Bijlage 1 bij de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (Verordening woonruimtebemiddeling 2024) de aanvraag voor de urgentieverklaring behandeld. Het college heeft het besluit genomen. Voor de leesbaarheid worden SUWR en het college in deze uitspraak aangeduid als het college.
2.Dit volgt uit artikel 2.3.8. van de Verordening woonruimtebemiddeling 2024.
3.Dit volgt uit artikel 5.1 van Bijlage 1 van de Verordening woonruimtebemiddeling 2024.
4.Dit volgt uit artikel 2.5. van Bijlage 1 van de Verordening woonruimtebemiddeling 2024.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:416), overweging 6.
6.Uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 22 mei 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:2612).
7.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 april 2002 (ECLI:NL:CRVB:2002:AE3218).
8.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1319), onder 5.7.