ECLI:NL:RVS:2022:1319
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische noodzaak en ingezeteneis
Appellante heeft een urgentieverklaring aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Almere op medische gronden, waaronder depressieve klachten en paniekaanvallen, en een binding met Almere vanwege haar sociale netwerk. Het college wees de aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de eis van minimaal twee jaar onafgebroken ingezetene te zijn en omdat een verzekeringsarts concludeerde dat er geen medische noodzaak was voor een zelfstandige woning in Almere.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het college de hardheidsclausule terecht niet toepaste en het advies van de verzekeringsarts zorgvuldig en deskundig was. Appellante stelde in hoger beroep dat de ingezeteneis buiten toepassing moest worden gelaten en dat het advies van de verzekeringsarts onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, en dat het beginsel van equality of arms was geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de ingezeteneis terecht werd toegepast en dat het college op het deskundige advies mocht vertrouwen. Het advies was zorgvuldig tot stand gekomen, met inachtneming van de medische situatie en woonomgeving van appellante. De Afdeling zag geen reden voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast.
Gezien het tekort aan sociale huurwoningen en de mogelijkheid voor appellante om zonder urgentieverklaring een woning te verkrijgen, was het college in redelijkheid niet gehouden de hardheidsclausule toe te passen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens het niet voldoen aan de ingezeteneis en het ontbreken van een levensontwrichtende medische situatie.