ECLI:NL:RBROT:2026:1958
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing meerderjarigenbewind wegens beëindigde schulden en verstoorde samenwerking
Betrokkene verzocht op 13 oktober 2025 om opheffing van het meerderjarigenbewind dat op 12 februari 2024 was ingesteld. Zij klaagde over de bewindvoerder, onder meer vanwege het weigeren van toestemming voor hoger beroep tegen een kort gedinguitspraak. De bewindvoerder weigerde toestemming voor hoger beroep vanwege het grote financiële risico van een proceskostenveroordeling.
Tijdens de zitting op 17 februari 2026 was betrokkene aanwezig, de bewindvoerder had zich afgemeld. Betrokkene toonde aan dat zij geen problematische schulden meer heeft en een schuldregelingstraject succesvol is afgerond. De kantonrechter constateerde dat voortzetting van het bewind niet langer zinvol is, mede omdat betrokkene geen schulden meer heeft en de vertrouwensrelatie ernstig is verstoord.
De kantonrechter oordeelde dat de bewindvoerder terecht toestemming voor hoger beroep had geweigerd vanwege het financiële risico. Betrokkene had zonder toestemming toch hoger beroep ingesteld, waardoor verdere samenwerking onmogelijk werd. De kantonrechter besloot het bewind per 16 maart 2026 op te heffen en stelde nadere voorwaarden voor de afwikkeling van het bewind vast.
Uitkomst: Het meerderjarigenbewind wordt opgeheven vanwege het ontbreken van problematische schulden en de verstoorde samenwerking tussen betrokkene en bewindvoerder.