ECLI:NL:RBROT:2026:2066

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
25/5236
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op eerdere ingangsdatum bijstandsuitkering Participatiewet

Eiseres, dakloos geworden in april 2024, had per 29 oktober 2024 een postadres geregeld en verbleef feitelijk met haar twee zonen in een door de gemeente gefinancierd hotel. Op 29 november 2024 diende zij samen met een medewerker van de gemeente een aanvraag in voor bijstand, met die datum als gewenste ingangsdatum. Het college kende de uitkering toe per 29 november 2024 en handhaafde dit besluit na bezwaar.

Eiseres voerde aan dat zij dacht pas een aanvraag te kunnen doen nadat haar oudste zoon was ingeschreven op het postadres, wat op 29 november 2024 gebeurde. Zij stelde dat de gemeente op de hoogte was van haar situatie en dat een medewerker haar had geïnformeerd dat zij pas op die datum kon aanvragen. Ook verwees zij naar een advies van een wijkteammedewerker die vond dat de uitkering per 29 oktober 2024 moest ingaan, en naar jurisprudentie en wetsvoorstellen die maatwerk mogelijk maken.

De rechtbank oordeelde dat artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht ontstaat, maar niet vóór de datum van melding of aanvraag. Afwijking is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden, zoals het niet kunnen melden of aanvragen door de betrokkene of belemmering door het college. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden aanwezig. Onwetendheid over de aanvraagdatum, het feit dat de gemeente haar situatie kende, of het advies van het wijkteam vormen geen grond voor een eerdere ingangsdatum.

De stelling dat een medewerker haar had geïnformeerd over de aanvraagdatum werd onbespreekbaar verklaard wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank wees ook het beroep op jurisprudentie en wetsvoorstellen af omdat die niet vergelijkbaar of nog niet van kracht waren. Het college had het besluit op juiste feiten en maatstaven genomen zonder schending van motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard, met afwijzing van terugbetaling griffierecht en proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstandsuitkering blijft 29 november 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. U. Karatas),
En
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,het college
(gemachtigde: mr. T. Baltus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres voert een aantal beroepsgronden aan waarom zij het niet eens is met de ingangsdatum van de uitkering. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de uitkering per 29 oktober 2024 moet worden toegekend
.Eiseres krijgt dus ongelijk en het beroep is ongegrond.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Daarna legt de rechtbank uit hoe zij tot het oordeel komt. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de toekenning van bijstand. Met een besluit van 28 januari 2025 heeft het college eiseres per 29 november 2024 bijstand toegekend.
2.1.
Eiseres is in bezwaar gegaan tegen het besluit. Het college heeft op 2 juni 2025 een besluit genomen op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) en is bij de toekenning van de bijstand per 29 november 2024 gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres was in april 2024 dakloos geworden. Per 29 oktober 2024 had zij een postadres geregeld en stond zij ingeschreven op het adres [adres]. Feitelijk verbleef zij sinds oktober 2024 met haar twee zonen in een hotel in Rotterdam. De kosten voor het hotel werden gefinancierd door de gemeente Rotterdam.
4. Op 29 november 2024 heeft eiseres samen met een medewerker van de gemeente een aanvraag ingediend voor bijstand. In de aanvraag staat 29 november 2024 als gewenste ingangsdatum van de uitkering en de uitkering is door het college ook per die datum aan haar toegekend.
Standpunt van het college
5. Volgens het college moet de ingangsdatum van de uitkering ook 29 november 2024 zijn, omdat eiseres zich op die datum voor het eerst bij het college heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen door de aanvraag in te dienen. Volgens het college zijn er geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een andere datum vóór 29 november 2024 wordt gehanteerd.
Standpunt van eiseres
6. Eiseres voert het volgende aan. Eiseres dacht dat zij pas een aanvraag kon doen als haar oudste zoon ook op het postadres ingeschreven stond. Hij is op 29 november 2024 ingeschreven en eiseres heeft toen ook de aanvraag gedaan. Deze aanvraag heeft zij samen met een medewerker van de gemeente ingediend. Op de zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat zij door een medewerker van de gemeente is geïnformeerd dat zij de aanvraag op 29 november 2024 kon indienen. De gemeente was op de hoogte van de situatie van eiseres en haar omstandigheden. Zij werd door de gemeente begeleid en de gemeente financierde ook haar verblijf in een hotel. Een medewerker van het wijkteam van de gemeente heeft een advies opgesteld. In dat advies staat dat eiseres problematische schulden heeft en dat hij van mening is dat eiseres per 29 oktober 2024 recht heeft op een uitkering. Tot slot had het college in dit geval artikel 44, eerste lid, van de Pw niet rigide moeten toepassen. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 juli 2022 (ECLI:NL:RBOVE:2022:2223) en naar het wetsvoorstel Participatiewet in Balans dat gemeenten maatwerkruimte geeft om bijstand toe te kennen vanaf maximaal drie maanden voor de meldingsdatum, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.
Oordeel van de rechtbank
7. In artikel 44, eerste lid, van de Pw staat dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Volgens vaste rechtspraak kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. [1]
8. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij of zij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen, of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandsverlenende instantie.
9. Met het college is de rechtbank van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de uitkering op een eerdere datum moet aanvangen dan 29 november 2024. De rechtbank legt dit uit.
10. Dat eiseres niet wist dan wel een verkeerde voorstelling van zaken had per wanneer zij de aanvraag kon doen is geen bijzondere omstandigheid die een eerdere datum rechtvaardigt. [2] De rechtbank is zich ervan bewust dat eiseres door haar dakloosheid in een complexe situatie zat, maar in beginsel is het de verantwoordelijkheid van eiseres om tijdig een aanvraag in te dienen. Bijstandbehoevende omstandigheden op zichzelf zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. [3]
11. Ook dat eiseres bij het invullen van de aanvraag op 29 november 2024 is geholpen door een medewerker van de gemeente en de omstandigheden van eiseres bekend waren bij de gemeente leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover eiseres daarmee betoogt dat de gemeente haar had moeten informeren over een eerdere ingangsdatum, kan dat argument niet slagen. Volgens vaste rechtspraak is een gebrek aan voorlichting van de zijde van het college geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigt. [4]
12. De rechtbank zal de stelling van eiseres dat zij door een medewerker van de gemeente is geïnformeerd dat zij moest wachten tot 29 november 2024 en eerder geen aanvraag kon doen onbespreekbaar laten vanwege strijd met de goede procesorde. Deze stelling is pas op de zitting naar voren gebracht waardoor het college zich niet daartegen heeft kunnen verweren.
13. Uit de stukken blijkt verder dat een medewerker van het wijkteam in een rapport van 2 januari 2025 verzoekt om de ingangsdatum van de uitkering op 29 oktober 2024 vast te stellen, omdat eiseres per die datum een postadres had in Rotterdam. Hoewel het college dit advies in hun overwegingen heeft betrokken, is het college niet gehouden te voldoen aan het verzoek van de medewerker van het wijkteam.
14. De uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 juli 2022 werpt geen ander licht op de zaak. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van eiseres niet vergelijkbaar is met die zaak, omdat het in die zaak ging om bewindvoerderskosten die pas opkomen zodra een bewindvoerder door de kantonrechter wordt benoemd en niet eerder. In het geval van eiseres spelen geen soortgelijke omstandigheden waardoor zij niet in staat was om de aanvraag eerder in te dienen.
15. Inmiddels is aan artikel 44 van Pro de Pw een vijfde lid toegevoegd die de mogelijkheid geeft om bijstand toe te kennen tot 3 maanden voor de meldingsdatum indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken. De rechtbank ziet geen reden om deze nieuwe wetgeving, die ten tijde van het bestreden besluit nog geen geldend recht was, bij de beoordeling van het bestreden besluit te betrekken.
16. De rechtbank oordeelt tot slot dat het college het besluit heeft genomen op grond van de juiste feiten en daarbij de juiste maatstaf heeft gehanteerd, zodat er ook geen sprake is van een schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Verder biedt artikel 44, eerste lid, van de Pw geen ruimte voor een belangenafweging op grond van het evenredigheidsbeginsel. [5]

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2025.
De griffier is verhinderd om te tekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.