Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2077

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/6236
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum correctie WIA-dagloon na discriminatie-uitspraak

Eiseres verzocht het UWV om haar WIA-dagloon te corrigeren vanaf de ingangsdatum van haar uitkering in 2018, naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juli 2024 die stelde dat de eerdere wijze van dagloonvaststelling in strijd was met het discriminatieverbod.

Het UWV corrigeerde het dagloon echter alleen vanaf de datum van deze uitspraak, waarbij het bezwaar van eiseres tegen deze ingangsdatum ongegrond werd verklaard. De rechtbank toetste of het UWV terecht geen terugwerkende kracht gaf en concludeerde dat een wijziging in jurisprudentie geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.

De rechtbank vond geen sprake van een evidente onredelijkheid in het niet terugwerken van de correctie naar 2018, mede omdat het UWV een uniform beleid voert voor alle vergelijkbare gevallen. Wel was er sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar dit werd in het verweerschrift hersteld zonder dat eiseres daardoor werd geschaad. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV mag het dagloon corrigeren vanaf 30 juli 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Capelle aan den IJssel, eiseres,

(gemachtigde: [naam 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [naam 2]).

Samenvatting

Uit de uitspraak van 30 juli 2024 van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) [1] volgt dat de wijze waarop het WIA-dagloon in het verleden werd vastgesteld in strijd is met het verbod op discriminatie. In het kader van de zogeheten duuraanspraak-jurisprudentie heeft het UWV daarom de daglonen gecorrigeerd vanaf de datum van deze uitspraak. Eiseres heeft het UWV verzocht haar dagloon te corrigeren vanaf de ingangsdatum van haar uitkering. De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV terecht is uitgegaan van de datum van
30 juli 2024.

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de ingangsdatum waarop haar IVA [2] -dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt gewijzigd.
1.1.
Met het besluit van 4 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV beslist dat eiseres per 30 juli 2024 recht heeft op een hoger dagloon. Het dagloon wordt per deze datum vastgesteld op € 76,28.
1.2.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat zij van mening is dat zij met ingang van 23 juli 2018 recht heeft op het hogere dagloon. Met het besluit van
15 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiseres heeft op 24 december 2025 een aanvullend beroepschrift ingediend.
1.6.
Het UWV heeft op 22 januari 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn met bericht van verhindering niet op de zitting verschenen.

Totstandkoming besluitvorming

2. Het UWV heeft eiseres bij een beslissing op bezwaar van 20 maart 2019 met ingang van 23 juli 2018 een IVA-uitkering toegekend. Daarbij werd het maandloon vastgesteld op € 1.144,70, wat neerkomt op een dagloon van € 52,63. Eiseres heeft destijds bezwaar gemaakt tegen de mate van arbeidsongeschiktheid, maar niet tegen de hoogte van de dagloon. Eiseres heeft hiertegen geen verdere rechtsmiddelen aangewend.
3. Op 2 en 4 oktober 2024 heeft eiseres met het UWV gebeld en gevraagd of de uitspraak van de Raad van 30 juli 2024 gevolgen had voor haar uitkering. Het UWV heeft deze vraag aangemerkt als een verzoek tot herziening. Dit verzoek heeft geleid tot de besluitvorming die onder het procesverloop is weergegeven.

Beoordeling door de rechtbank

4. In geschil is de ingangsdatum van het herziene dagloon. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht met ingang van 30 juli 2024 het WIA-dagloon hoger heeft vastgesteld of dat dit per de door eiseres verzochte ingangsdatum van de uitkering (23 juli 2018) had moeten plaatsvinden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4.2.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Het UWV stelt zich op het standpunt dat uit de uitspraak van 30 juli 2024 van de Raad volgt dat de wijze waarop het WIA-dagloon in het verleden werd vastgesteld in strijd is met het verbod op discriminatie en in het kader van de zogeheten duuraanspraak-jurisprudentie corrigeert het UWV daarom de daglonen vanaf de datum van deze uitspraak. Het dagloon van eiseres is daarom met ingang van 30 juli 2024 hoger vastgesteld. Het UWV ziet geen aanleiding om het dagloon van eiseres te corrigeren met ingang van de door eiseres verzochte datum van 23 juli 2018. Een wijziging in de jurisprudentie is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het UWV is verder van mening dat geen sprake is van een evident onredelijke situatie.
6. Eiseres is het daar niet mee eens. Op het moment dat de WIA-uitkering in 2018 aan eiseres werd toegekend, en op iedere dag daarna, was de wijze waarop de hoogte hiervan was berekend net zo in strijd met het verbod op discriminatie als op 30 juli 2024. Bovendien valt in de uitspraak van 30 juli 2024 niet te lezen dat deze pas gevolgen zou moeten of kunnen hebben voor andere WIA-gerechtigden vanaf die datum. De uitkering van de appellant in die zaak moest ook herzien worden met volledig terugwerkende kracht.
6.1.
Eiseres verwijst in haar aanvullend beroepschrift naar de uitspraken van de Raad van 19 juli 2023 [3] en 20 december 2016 [4] en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 november 2016 [5] . Eiseres stelt zich hierbij op het standpunt dat bij een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek dient te worden geconcludeerd dat het oorspronkelijke besluit van 18 juli 2018 onmiskenbaar onjuist is, vanwege de benoemde evidente strijd van dit besluit met het verbod op discriminatie wegens arbeidshandicap. Het UWV heeft ervoor gekozen om haar verzoek als een herzieningsverzoek in behandeling te nemen, waarmee de weg is geopend naar herziening met volledig terugwerkende kracht in het geval van gebleken evidente onredelijkheid of onjuistheid van het besluit.
7. Het UWV heeft het verzoek van eiseres om het dagloon van de aan haar toegekende IVA-uitkering aan te passen gedeeltelijk afgewezen, namelijk voor zover het gaat om de ingangsdatum. In het verweerschrift heeft het UWV toegelicht dat op deze wijze is geoordeeld op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb. Verder is overwogen dat in de uitspraak van 30 juli 2024 is bepaald dat de uitkering met volledig terugwerkende kracht moest worden herzien, omdat in die zaak de beslissing nog niet in rechte onaantastbaar was.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad toetst de bestuursrechter, als een bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6 van Pro de Awb, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op dat standpunt heeft gesteld, dan kan dat afwijzing van de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan echter aan de hand van de beroepsgronden nog tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
7.2.
De rechtbank is het met het UWV eens dat in dit geval geen sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, wat eiseres in haar aanvullend beroepschrift ook in grote lijnen onderschrijft. Het is immers ook vaste jurisprudentie van de Raad dat rechterlijke uitspraken niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden. [6] Dit wordt niet anders als in die jurisprudentie gewezen is op een mogelijke schending van fundamentele rechten. [7]
8. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het niet terugkomen op het besluit van 18 juli 2018, waarin aan eiseres per 23 juli 2018 een uitkering op grond van een bepaald dagloon is toegekend, evident onredelijk is. Om te kunnen komen tot de conclusie dat het bestreden besluit evident onredelijk is, is vereist dat in wat wordt aangevoerd aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat (het gevolg van) de weigering een onjuist gebleken besluit te herzien, evident onredelijk is.
8.1.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de weigering om het dagloon met ingang van 23 juli 2028 aan te passen in dit specifieke geval evident onredelijk zou zijn. De situatie van eiseres is immers niet anders dan die van anderen die een WIA-uitkering hadden vóór juli 2024 en bij wie sprake was van een of meerdere loonloze tijdvakken in de referteperiode. De rechtbank leidt uit het aanvullend verweerschrift af dat het UWV een categoraal beleid voert dat ziet op alle gevallen die een verzoek om herziening doen en constateert dat het deze gevallen dus op eenzelfde wijze behandelt. Het UWV heeft met de kennis van toen een besluit genomen conform de toen geldende regelgeving. Eiseres heeft enkel gewezen op de strijd met het discriminatiegebod, zij heeft verder niet aangevoerd waarom in haar specifieke geval sprake is van een bijzonder geval waarbij gesproken kan worden van een evidente onredelijkheid of evidente onjuistheid.
8.2.
Hieruit volgt dat het weigeren van het verzoek van eiseres om het dagloon van de aan haar toegekende IVA-uitkering met ingang van 28 juli 208 aan te passen, niet evident onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht is uitgegaan van de datum van 30 juli 2024 voor het herzien van het dagloon van eiseres.
10. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Het UWV heeft pas in beroep gemotiveerd toegelicht op welke wijze het verzoek van eiseres is behandeld en dat rechterlijke uitspraken niet kunnen worden aangemerkt als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid. Door dit in het verweerschrift alsnog te motiveren heeft het UWV het motiveringsgebrek wel hersteld en eiseres is daardoor niet in haar belangen is geschaad. Eiseres heeft in beroep haar standpunt hierover immers nog nader kunnen onderbouwen, vervolgens heeft zij afgezien van het verschijnen op de zitting. De rechtbank passeert dit gebrek daarom met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:22 van Pro de Awb.
10.1.
De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wel aanleiding om te oordelen dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- aan haar moet vergoeden.
10.2.
De rechtbank veroordeelt het UWV ook in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:594.
7.Zie de uitspraak van de Raad van 15 januari 1998, AB 1998/188.