ECLI:NL:RBROT:2026:2320

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/10/697949 / HA ZA 25-326
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 477a lid 1 RvArt. 477a lid 2 RvArt. 476a RvArt. 843a RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Curator krijgt betaling en executierecht op hypotheekrecht van ontbonden Land Platform

De curator in het faillissement van een besloten vennootschap heeft derdenbeslag gelegd onder Land Platform, een ontbonden buitenlandse vennootschap, om een vordering op een derde te verhalen. Land Platform heeft geen derdenverklaring afgelegd, waardoor zij op grond van artikel 477a lid 1 Rv aansprakelijk is gesteld voor het beslagbedrag van €295.564,00.

De rechtbank stelt vast dat Land Platform juridisch eigenaar blijft van het onroerend goed ondanks haar ontbinding en dat de curator zich met zijn vordering op de derde mag verhalen op het eerste recht van hypotheek dat deze derde op het onroerend goed van Land Platform heeft. Dit recht omvat ook het recht van parate executie, waardoor de curator zelf tot uitwinning kan overgaan.

De vorderingen van de curator op grond van artikel 477a lid 2 Rv en artikel 843a Rv worden afgewezen wegens gebrek aan belang. De rechtbank wijst de vordering tot betaling aan de curator toe en veroordeelt Land Platform en de derde in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Land Platform wordt veroordeeld tot betaling van het beslagbedrag en de curator krijgt het recht om het hypotheekrecht op het onroerend goed uit te oefenen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/697949 / HA ZA 25-326
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[naam curator]
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf]
kantoorhoudende te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. C.J.M. Verheggen,
tegen
1. de ontbonden rechtspersoon naar buitenlands recht
LAND PLATFORM LTD,
eerst gevestigd in London, Verenigd Koninkrijk, thans zonder bekend vestigingsadres,
niet verschenen,
hierna te noemen: Land Platform,
2.
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.A. Soebhag,
gedaagde partijen.

1.De zaak in het kort

De curator heeft een vordering op [gedaagde] en heeft daarvoor derdenbeslag gelegd onder Land Platform. De curator vordert in deze procedure, onder meer, veroordeling van Land Platform tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, primair op grond van artikel 477a lid 1 Rv en subsidiair op grond van artikel 477a lid 2 Rv. Daarnaast heeft de curator een verklaring voor recht gevorderd “dat hij zich met zijn vordering op [gedaagde] mag verhalen op het eerste recht van hypotheek van [gedaagde] op het onroerend goed van Land Platform”. De rechtbank stelt vast dat Land Platform geen derdenverklaring heeft afgelegd. Land Platform, tegen wie verstek is verleend, wordt daarom op grond van artikel 477a lid 1 Rv veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd. Ook stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] een vordering heeft op Land Platform. De gevorderde verklaring voor recht wordt in aangepaste vorm toegewezen, omdat de curator als derdenbeslaglegger, wiens beslag de door hypotheek versterkte vordering van [gedaagde] op Land Platform heeft getroffen, niet alleen bij de verdeling profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden voorrang, maar ook de bevoegdheid heeft om het aan het hypotheekrecht verbonden recht van parate executie uit te oefenen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 december 2024, met producties 1 tot en met 11;
- op de rol van 16 april 2025 verstekverlening tegen Land Platform en [gedaagde] ;
- op de rol van 14 mei 2025 zuivering verstek door [gedaagde] ;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 4;
- de brief van 20 augustus 2025 van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties van de curator met producties 12 tot en met 17;
- de e-mail van 30 oktober 2025 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling;
- de e-mail van 21 november 2025 van [gedaagde] , met twee aanvullende producties;
- het B3-formulier van 27 november 2025 van [gedaagde] met vijf aanvullende producties;
- de mondelinge behandeling op 3 december 2025 en de daarbij door de curator overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Bij vonnis van 17 februari 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:1907) heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat [gedaagde] zijn taak als feitelijke bestuurder van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW Pro en is [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan de curator van het boedeltekort in het faillissement van [bedrijf] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ook is [gedaagde] bij dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om aan de curator bij wege van voorschot € 285.000,00 en de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen.
3.2.
Tegen het vonnis van 17 februari 2021 is [gedaagde] in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Den Haag. Het gerechtshof heeft het vonnis bij arrest van 17 september 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:1578) bekrachtigd.
3.3.
Bij vonnis van 30 april 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:5581) heeft deze rechtbank in een schadestaatprocedure [gedaagde] veroordeeld aan de curator € 715.762,32 te betalen. Daarbij heeft de rechtbank de vordering om dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afgewezen. [gedaagde] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.
3.4.
Land Platform is een op 24 juli 2008 naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
opgerichte vennootschap. Enig bestuurder van Land Platform was [gedaagde] . Enig aandeelhouder was Limited Interspace Section Ltd. Enig bestuurder van Limited Interspace Section Ltd. is [gedaagde] .
3.5.
Land Platform heeft zich per 24 juli 2008 ook ingeschreven in het Nederlandse Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Zij is hier geregistreerd als “Buitenlandse EG-vennootschap met onderneming in Nederland" met als omschrijving van haar activiteiten “Handel in eigen onroerend goed”.
3.6.
Bij notariële akte van 4 september 2008 (hierna: de notariële akte) zijn [gedaagde] en Land Platform een geldlening overeengekomen waarbij Land Platform een bedrag van € 1.103.460,00 heeft geleend van [gedaagde] . Daarbij is tot zekerheid van terugbetaling een recht van hypotheek verstrekt op de locatie te [plaats] aan de [adres] (hierna: het onroerend goed). Het onroerend goed is blijkens het Kadaster eigendom van Land Platform.
3.7.
Op de geldlening zijn de Algemene Bepalingen van geldlening en hypotheekstelling van toepassing. Deze zijn vastgesteld bij akte op twaalf juni 1996 verleden voor mr. R.G.M.C. ridder van Rappard, notaris te Rotterdam en ingeschreven bij de griffie van deze rechtbank op dertien juni 1996, onder nummer 493/1996. In artikel 4 sub h van Pro deze Algemene Bepalingen staat dat het verschuldigde bedrag in zijn geheel en onmiddellijk opeisbaar is in het geval Land Platform wordt ontbonden.
3.8.
Op 9 november 2010 is Land Platform door de Registrar of Companies van het Verenigd Koninkrijk uitgeschreven uit het register wegens inactiviteit van de onderneming en uit dien hoofde ontbonden. Zij is blijkens het Nederlandse Handelsregister van de Kamer van Koophandel op 20 februari 2012 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de onderneming.
3.9.
Op 26 september 2024 heeft de curator tot verhaal van zijn (voorschot)vordering op [gedaagde] uit hoofde van het vonnis van de rechtbank van 17 februari 2021, ten laste van [gedaagde] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder Land Platform op al hetgeen Land Platform aan [gedaagde] is verschuldigd.
3.10.
Op 11 oktober 2024 heeft de curator via de deurwaarder een verklaring ontvangen die door [gedaagde] is opgesteld. In die verklaring stelt [gedaagde] dat er tussen hem en Land Platform geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] op het tijdstip van het beslag nog iets van Land Platform te vorderen had, te vorderen heeft
of nog te vorderen kan krijgen.
3.11.
Het Openbaar Ministerie heeft beslag gelegd op het onroerend goed.

4.Het geschil

4.1.
De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Land Platform op grond van artikel 447a lid 1 Rv veroordeelt tot betaling van € 295.564,00 waarvoor het derdenbeslag is gelegd, als ware zij daarvan zelf schuldenaar, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2024;
II. Land Platform op grond van artikel 477a lid 2 Rv veroordeelt tot het doen van een met bescheiden onderbouwde gerechtelijke verklaring omtrent hetgeen zij van [gedaagde] onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, dan wel uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding onder haar berusting heeft en/of mocht verkrijgen, respectievelijk schuldig is of zal worden, welke verklaring dient te worden gedaan binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van een aan de curator te verbeuren dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat Land Platform daarmee in gebreke zou zijn of blijven;
III. Land Platform op grond van artikel 843a Rv veroordeelt een afschrift van de in paragraaf 2 van de dagvaarding genoemde bescheiden te verstrekken binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Land Platform daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;
IV. [gedaagde] op grond van artikel 843a Rv veroordeelt een afschrift van de in paragraaf 2.2 van de dagvaarding genoemde bescheiden te verstrekken binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;
V. Land Platform op grond van artikel 477a lid 2 Rv veroordeelt tot betaling van wat volgens de vaststelling van de rechtbank aan de curator zal blijken toe te komen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2024;
VI. verklaart voor recht dat de curator zich met zijn vordering op [gedaagde] zoals blijkt uit het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2021 en zoals dat is bekrachtigd door het Gerechtshof Den Haag [bij arrest] van 17 september 2024 mag verhalen op het eerste recht van hypotheek van [gedaagde] op het onroerend goed van Land Platform kadastraal bekend ‘ [adres] ’, zoals dat blijkt uit de akte van geldlening met hypotheekstelling van 4 september 2008,
VII. met veroordeling van Land Platform en [gedaagde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als Land Platform en [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis hebben voldaan.
4.2.
Ter zitting zijn de vorderingen van de curator besproken. Hieruit begrijpt de rechtbank dat de curator primair stelt dat Land Platform haar verplichtingen ex artikel 476a Rv – om na twee weken na beslag een derdenverklaring af te geven – heeft geschonden, met als rechtsgevolg dat zij op grond van artikel 477a lid 1 Rv zelf aansprakelijk is voor het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware zij zelf schuldenaar (vordering onder I).
4.3.
Subsidiair, voor het geval de verklaring van [gedaagde] heeft te gelden als een derdenverklaring als bedoeld in artikel 476a Rv, stelt de curator dat die verklaring onjuist is. Die stelling ligt ten grondslag aan de vordering onder II. Ook vordert de curator (subsidiair) om Land Platform op grond van artikel 477a lid 2 Rv te veroordelen tot betaling aan de curator onder het derdenbeslag van wat Land Platform uit hoofde van de notariële akte van geldlening aan [gedaagde] is verschuldigd (vordering V).
4.4.
De curator wenst in het kader van een vordering ex artikel 843a Rv (onder III en IV) bewijs van [gedaagde] en Land Platform te ontvangen, waaruit blijkt dat de vordering van [gedaagde] op Land Platform zoals die uit de notariële akte kan worden afgeleid, geheel is betaald, zoals [gedaagde] aanvoert.
4.5.
Daarnaast vordert de curator, ook primair, een verklaring voor recht dat hij zich met zijn vordering op [gedaagde] , zoals dat blijkt uit het vonnis van de rechtbank van 17 februari 2021 en bekrachtigd bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 september 2024, mag verhalen op het eerste recht van hypotheek dat Land Platform aan [gedaagde] heeft toegekend, op het onroerend goed van Land Platform in [plaats] (onder VI).
4.6.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beslissing, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter gelet op de omstandigheid dat Land Platform ten tijde van de dagvaarding geen bekende woon- of verblijfplaats had waarbij haar laatst bekende woonplaats in het Verenigd Koninkrijk lag. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht van toepassing is.
5.2.
Er is in casu sprake van een burgerlijke zaak of handelszaak als bedoeld in artikel 1 Brussel Pro I bis, waardoor Brussel I bis materieel van toepassing is. Artikel 6 Brussel Pro I bis bepaalt dat indien verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld wordt door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd artikel 18, lid 1, artikel 21, lid 2, en de artikelen 24 en 25. Toepassing van de nationale in plaats van de uniforme bevoegdheidsregels is slechts mogelijk, indien er afdoende aanwijzingen zijn die de conclusie wettigen dat de verweerder daadwerkelijk buiten het grondgebied van de Unie is gevestigd. Volgens de rechtbank zijn zulke aanwijzingen er in deze zaak.
5.3.
De nationale bevoegdheidsregels zijn dus van toepassing. De rechtbank is op grond van artikel 99 Rv Pro jo. artikel 7 Rv Pro bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen Land Platform en [gedaagde] , omdat [gedaagde] in Nederland, Rotterdam, woont en tussen de vorderingen tegen hen een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. In deze procedure gaat het immers om een derdenbeslag ten laste van [gedaagde] onder Land Platform in welk kader de vorderingen zijn ingesteld. Voor zover artikel 24 Brussel Pro I bis van toepassing is op de gevorderde verklaring voor recht (VI), leidt die bepaling (ook) tot de internationale bevoegdheid van deze rechtbank. Op grond van artikel 103 Rv Pro is deze rechtbank dan (ook) relatief bevoegd.
5.4.
Op grond van artikel 10:3 BW Pro is (ook) op de vorderingen jegens Land Platform Nederlands recht van toepassing, omdat het beslagrecht en het verzoek op grond van artikel 843a Rv (zoals geldend tot 1 januari 2025) van procesrechtelijke aard is en op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlands recht van toepassing is. Dat geldt op grond van artikel 10:127 BW Pro ook voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht (VI).
Verstek Land Platform
5.5.
Land Platform is niet in rechte verschenen. Tegen haar is op de rol van 16 april 2025 verstek verleend. Omdat door de curator en [gedaagde] verder is geprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv Pro één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Op grond van artikel 139 Rv Pro wijst de rechtbank de vorderingen tegen Land Platform toe, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
5.6.
In een geval waarin de rechtsbetrekking tussen partijen noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing strekt een door de verschenen gedaagde(n) gevoerd en door de rechter aanvaard verweer mede ten gunste van de andere, niet verschenen gedaagde(n). De rechtbank is van oordeel dat de rechtsbetrekking tussen de curator enerzijds en Land Platform en [gedaagde] anderzijds niet noopt tot een voor hen gelijke beslissing en voor zover dat wel het geval is, bij de gevorderde verklaring voor recht, geldt dat de verweren van [gedaagde] alle worden verworpen.
5.7.
De curator stelt zich primair op het standpunt dat Land Platform haar verplichting als bedoeld in artikel 476a Rv om na twee weken na beslag een derdenverklaring af te geven, heeft geschonden en daardoor op grond van artikel 477a lid 1 Rv zelf aansprakelijk is voor het bedrag waarvoor het beslag is gelegd. Vordering I, waar deze stelling aan ten grondslag ligt, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen. Ook [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Land Platform
nietheeft verklaard als bedoeld in artikel 476a Rv en dat Land Platform daardoor wettelijk aansprakelijk is te houden voor het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware zij daarvan zelf de schuldenaar. Volgens [gedaagde] is de door hem afgelegde derdenverklaring geheel op private titel tot stand gekomen en uitdrukkelijk niet namens Land Platform.
5.8.
De rechtbank merkt daarbij nog het volgende op. Land Platform is ontbonden, maar heeft nog een bate volgens het Kadaster. De vordering van de curator op Land Platform onder I is gebaseerd op artikel 477a lid 1 Rv en vloeit rechtstreeks uit de wet voort. Het enkele feit dat Land Platform volgens het Registrar of Companies van het Verenigd Koninkrijk is uitgeschreven uit het handelsregister, laat onverlet dat in rechte vaststaat dat Land Platform nog juridisch eigenaar is van een onroerend goed, waarop eventueel verhaal mogelijk moet zijn. Hoe de curator dat onroerend goed straks moet uitwinnen – of op [gedaagde] via het recht van hypotheek (zie hierna onder 5.17) – en Land Platform daarbij alsnog moet betrekken, is geen vraag die nu aan deze rechtbank voorligt of reden om tot afwijzing van deze vordering over te gaan.
5.9.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat omdat Land Platform niet meer belastingplichtig is, daarmee ook de vereffening van Land Platform heeft plaatsgevonden en dat een rechtsopvolger/UBO het bewuste onroerend goed in bezit zal hebben. Dit maakt het in 5.8 overwogene niet anders. De rechtbank gaat uit van wat in het Kadaster staat, temeer nu [gedaagde] op de zitting niet aanwezig was en dit verder niet meer nader heeft toegelicht.
5.10.
Nu vordering I wordt toegewezen, komt de rechtbank aan vordering II niet toe. Die wordt afgewezen. Van een betwistingsprocedure is immers geen sprake. Ook vordering V wordt afgewezen. De rechtbank leidt uit de pleitaantekeningen (nr. 4) van de curator af dat ook deze vorderingen subsidiair is. Met de toewijzing van vordering I is Land Platform al veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, zodat de curator bij vordering V geen belang meer heeft. Vordering III wordt ook afgewezen, vanwege gebrek aan belang (zie hierna onder 5.11 tot en met 5.16). De curator heeft dit gebrek aan belang tijdens de zitting ook bevestigd.
Ten aanzien van [gedaagde]
5.11.
De vordering jegens [gedaagde] (en Land Platform) op grond van artikel 843a Rv wordt afgewezen, omdat de curator hierbij geen belang meer heeft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.12.
[gedaagde] heeft verklaard dat er tussen hem en Land Platform geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] op het tijdstip van het beslag nog iets van Land Platform te vorderen had, te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen. Volgens [gedaagde] zou de onderliggende geldlening al door Land Platform aan hemzijn terugbetaald. Volgens de curator is die verklaring onjuist. De rechtbank oordeelt dat de curator voldoende heeft gesteld en [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat er sprake is van het nog bestaan van de lening van [gedaagde] aan Land Platform en motiveert dat als volgt.
5.13.
De lening ligt vast in een notariële akte tussen [gedaagde] en Land Platform en heeft op grond van artikel 157 lid 2 Rv Pro dwingende bewijskracht. Het enige wat [gedaagde] aanvoert ter motivering van zijn betwisting, is dat de lening al geheel is afgelost. De curator heeft verzocht dit te onderbouwen met bankafschriften en in de zittingsagenda staat dat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen de stukken in het geding hebben gebracht waarop zij zich willen beroepen in het kader van, in geval van [gedaagde] , de verweren. Ook staat daarin dat alle stukken waar een partij zich ter terechtzitting op wenst te beroepen vooraf aan de wederpartij en de rechtbank moeten worden gezonden. [gedaagde] heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat Land Platform de lening aan hem al geheel heeft afgelost. Hij is zelfs niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven.
5.14.
[gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat hij als privépersoon, en vanwege de bewaartermijn voor de fiscus, “logischerwijs” niet meer over de bescheiden kan beschikken, maar dit overtuigt niet. Als Land Platform daadwerkelijk € 1.103.460,00 aan hem heeft afgelost, zoals [gedaagde] aanvoert, is het moeilijk voorstelbaar dat dat niet uit nog bestaande stukken zou blijken. Die stukken zouden ook in zijn domein aanwezig moeten zijn – [gedaagde] is immers de schuldeiser en degene die belang heeft bij verificatie van eventuele aflossingsbetalingen door Land Platform. Van [gedaagde] had dan ook op zijn minst mogen worden verwacht dat hij nader had toelicht wanneer en hoe de geldlening is afgelost. Als het zo is dat hij niet meer over deze gegevens beschikt, komt dat voor zijn risico. Dat kan hij niet aan de curator tegenwerpen die in dit kader gerechtvaardigd belang heeft bij de verstrekking van die gegevens.
5.15.
Anders dan door [gedaagde] aangevoerd, betekent het enkele feit dat [gedaagde] na de dagvaarding aan de notaris heeft verzocht het hypotheekrecht door te halen, niet dat de lening en het hypotheekrecht niet meer bestaan. Bovendien omvat het derdenbeslag mede het hypotheekrecht en moet worden aangenomen dat afstand van het hypotheekrecht na het beslag door [gedaagde] plaatsvindt in weerwil van het beslag en niet tegen de curator kan worden ingeroepen.
5.16.
Tegen de achtergrond van het voorgaande resteert dus slechts de blote betwisting van [gedaagde] van de stelling van de curator dat de lening nog bestaat. Dat betekent dat op grond van artikel 149 Rv Pro in rechte vaststaat dat de volledige lening nog bestaat en ook het daaraan verbonden hypotheekrecht. Als onweersproken staat ook vast dat de lening opeisbaar is, omdat Land Platform is ontbonden (zie 3.7). Zoals overwogen, heeft de curator, zoals hij ter zitting ook heeft bevestigd, dan ook geen belang meer bij zijn vorderingen gebaseerd op artikel 843a Rv.
5.17.
De door de curator gevorderde verklaring voor recht dat hij zich met zijn vordering op [gedaagde] mag verhalen op het eerste recht van hypotheek van [gedaagde] op het onroerend goed (VI) wordt in aangepaste vorm toegewezen. Ter zitting heeft de curator desgevraagd verklaard dat hij hiermee heeft bedoeld dat hij zich mag beroepen op het recht van parate executie. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2005 [1] , dat de derdenbeslaglegger (in dit geval de curator) wiens beslag een vordering onder hypothecair verband heeft getroffen, niet alleen bij de verdeling profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden voorrang, maar ook het recht van parate executie krijgt. De curator heeft daarom het recht om de uitwinning van de hypothecair verbonden zaken zelf uit te voeren. Hij hoeft dit niet over te laten aan de hypotheekhouder (in dit geval [gedaagde] ). Volgens de rechtbank heeft de curator daarom de bevoegdheid om zelf tot uitwinning van de door een hypotheekrecht versterkte vordering op Land Platform over te gaan.
5.18.
De advocaat van [gedaagde] heeft er zitting nog naar voren gebracht dat [gedaagde] er naar eigen zeggen door de overheid is “ingeluisd”. [gedaagde] zou slachtoffer zijn geworden van een strafrechtelijke opsporingsmethodiek die in de buurt komt van uitlokking. De overheid zou een vehikel hebben opgericht, waarbij de heer [naam] zich voordeed als adviseur en [gedaagde] zou hiervan gebruik hebben gemaakt. [gedaagde] heeft ook een e-mail van hemzelf overgelegd, waarin hij aangeeft de heer [naam] graag te willen horen om inzichtelijk te maken dat er sprake is van een dergelijke opsporingsmethodiek van het Openbaar Ministerie, dat hij daarnaar heeft gehandeld en daardoor in de strafrechtelijke en civielrechtelijke problemen terecht is gekomen.
5.19.
De rechtbank merkt hierover op dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens de curator in deze procedure niet meer aan de orde kan komen. Over deze aansprakelijk is al geoordeeld door deze rechtbank en het Gerechtshof Den Haag. Uitgangspunt in deze procedure is dat de curator een vordering heeft op [gedaagde] , waarvoor de curator derdenbeslag heeft gelegd. Hoe het door [gedaagde] aangevoerde of het horen van de heer [naam] , zoals hiervoor weergegeven, zou moeten leiden tot de conclusie dat de vorderingen tegen [gedaagde] in deze procedure moeten worden afgewezen, is de rechtbank niet duidelijk en dat is door [gedaagde] ook niet nader toegelicht.
Proceskosten
5.20.
Land Platform en [gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- dagvaarding € 112,37
- griffierecht € 2.723,00
- salaris advocaat € 5.770,00 (2 punten × tarief VI)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.794,37
5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.22.
De veroordelingen tot betaling worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu het verzoek daartoe is gegrond op de wet en [gedaagde] het niet heeft bestreden. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, zal de rechtbank in dit geval wel de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan uitspreken, omdat de gevorderde verklaring voor recht zodanig is verbonden met de te executeren vordering van de curator op [gedaagde] dat met het oog op een eventuele executie de rechtbank voldoende belang ziet ook dit onderdeel uitvoerbaar bij voorbaat te verklaren.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt Land Platform om aan de curator te betalen een bedrag van € 295.564,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van 26 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
verklaart voor recht dat de curator, bij het verhaal van zijn vordering op [gedaagde] , zoals blijkt uit het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2021, zoals bekrachtigd door het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 17 september 2024, de bevoegdheid heeft om zelf tot uitwinning over te gaan van de met eerste recht van hypotheek versterkte vordering van [gedaagde] op Land Platform op het onroerend goed van Land Platform, kadastraal bekend ‘Berkel en Rodenrijs A 3694’, zoals dat blijkt uit de akte van geldlening met hypotheekstelling van 4 september 2008,
6.3.
veroordeelt Land Platform en [gedaagde] in de proceskosten van € 8.794,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Land Platform en [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt Land Platform en [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3242/3455

Voetnoten

1.HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2619 (Rabobank/Stormpolder).