De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Land Platform op grond van artikel 447a lid 1 Rv veroordeelt tot betaling van € 295.564,00 waarvoor het derdenbeslag is gelegd, als ware zij daarvan zelf schuldenaar, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2024;
II. Land Platform op grond van artikel 477a lid 2 Rv veroordeelt tot het doen van een met bescheiden onderbouwde gerechtelijke verklaring omtrent hetgeen zij van [gedaagde] onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, dan wel uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding onder haar berusting heeft en/of mocht verkrijgen, respectievelijk schuldig is of zal worden, welke verklaring dient te worden gedaan binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van een aan de curator te verbeuren dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat Land Platform daarmee in gebreke zou zijn of blijven;
III. Land Platform op grond van artikel 843a Rv veroordeelt een afschrift van de in paragraaf 2 van de dagvaarding genoemde bescheiden te verstrekken binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Land Platform daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;
IV. [gedaagde] op grond van artikel 843a Rv veroordeelt een afschrift van de in paragraaf 2.2 van de dagvaarding genoemde bescheiden te verstrekken binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;
V. Land Platform op grond van artikel 477a lid 2 Rv veroordeelt tot betaling van wat volgens de vaststelling van de rechtbank aan de curator zal blijken toe te komen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2024;
VI. verklaart voor recht dat de curator zich met zijn vordering op [gedaagde] zoals blijkt uit het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2021 en zoals dat is bekrachtigd door het Gerechtshof Den Haag [bij arrest] van 17 september 2024 mag verhalen op het eerste recht van hypotheek van [gedaagde] op het onroerend goed van Land Platform kadastraal bekend ‘ [adres] ’, zoals dat blijkt uit de akte van geldlening met hypotheekstelling van 4 september 2008,
VII. met veroordeling van Land Platform en [gedaagde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als Land Platform en [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis hebben voldaan.