ECLI:NL:RBROT:2026:3081

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/5327
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser heeft een aanvraag om compensatie ingediend op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2005 tot en met 2019. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen omdat er geen aanvraag voor kinderopvangtoeslag in de betreffende jaren in hun systemen is gevonden.

Eiser stelt dat hij in 2014 een aanvraag heeft ingediend en dat het dossier onvolledig is, waarbij hij verzoekt om inzage in het persoonlijke dossier of ouderdossier. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen alle relevante stukken die ten grondslag liggen aan het besluit heeft overgelegd en dat er geen aanwijzingen zijn dat er een aanvraag is gedaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het bestaan van een aanvraag en dat ook geen opvang is aangetoond. Daarnaast is het ontbreken van een registratie in de Fraude Signalering Voorziening niet relevant voor de compensatie. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5327

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. N. Köse - Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. S.R. Busch).

Samenvatting

1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiser om compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2019 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met een besluit van 15 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA (het primaire besluit) is compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2019 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep tegen het bestreden besluit ingediend. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft met de brief van
26 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend. De Dienst Toeslagen heeft met een brief van 10 februari 2026 aanvullende stukken ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft vier kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 1985, [geboortedatum 2] 1996 (een tweeling) en op [geboortedatum 3] 2004. Op 15 december 2021 heeft eiser zich bij de Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Aan zijn aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in 2014 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2019 beoordeeld en de aanvraag afgewezen om dat eiser over deze jaren geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Er is daarom geen recht op compensatie in de zin van de Wht.
3.1.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is door de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat in de systemen van de Dienst Toeslagen geen gegevens bekend zijn van een aanvraag kinderopvangtoeslag in enig jaar. Op basis van de beschikbare gegevens heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat er geen kinderopvangtoeslag is aangevraagd door of namens eiser in 2014.

Beroep van eiser

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in 2014 een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend en dat daarop niet is gereageerd. Volgens eiser moet de Dienst Toeslagen beschikken over informatie, zoals gespreksnotities, het SAS-rapport en een lijst van afgehandelde zaken, waaruit blijkt dat hij een aanvraag heeft ingediend. Eiser beschikt daar zelf niet meer over. Naar de mening van eiser is het dossier onvolledig en is er niet gezocht naar informatie waaruit blijkt dat hij een aanvraag heeft ingediend. Eiser verzoekt om het persoonlijke dossier of het ouderdossier.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag om compensatie over de jaren 2005 tot en met 2019 heeft afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Geen ouderverhaal
5.1.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de integrale beoordeling onvoldoende zorgvuldig is geweest omdat er ten onrechte geen invulformulier met een ouderverhaal is opgesteld, kan de rechtbank eiser niet volgen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in bezwaar voldoende zijn kant van het verhaal naar voren kunnen brengen. Er is geen sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
Onderzoek naar aanvraag
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat eiser, zoals ook volgt uit het aanvullend beroepschrift, in zijn aanvraag om compensatie zich op het standpunt heeft gesteld dat hij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan in 2014 voor de toeslagjaren 2014 en daaropvolgend. Hieruit volgt dat in beroep geen oordeel meer gegeven hoeft te worden over de vraag of ten onrechte geen compensatie over de toeslagjaren 2005 tot en met 2013 is toegekend. In beroep ligt daarom alleen de vraag voor of eiser een aanvraag om kinderopvangtoeslag in het jaar 2014 heeft gedaan en dat daar ten onrechte niet op is gereageerd. In dit kader wenst eiser ook het ouderdossier te ontvangen. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken dient over te leggen. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt verstaan de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit. Het persoonlijke dossier van eiser is veel omvangrijker en valt niet samen met het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht en het dossier geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er op de zaak betrekking hebbende stukken ontbreken. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat het heeft gezocht in het systeem Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS). [1] Hierin is geen aanvraag van eiser voor het jaar 2014 te vinden. Ook heeft de Dienst Toeslagen verwezen naar het Statistical Analysis System (SAS) waarin wel andere beschikkingen met betrekking tot toeslagen, zoals huurtoeslag, zijn te vinden. Verder heeft de Dienst Toeslagen een overzicht van alle telefoonnotities van telefoongesprekken met eiser sinds 16 november 2012 in het geding gebracht. Ook hierin zijn geen aanwijzingen te vinden dat eiser een aanvraag voor kinderopvangtoeslag in 2014 heeft gedaan, dan wel dat hij daar telefonisch contact over heeft gehad met de Dienst Toeslagen. Dat betekent dat het dossier geen aanknopingspunten bevat die de verklaring van eiser ondersteunen dat hij in 2014 een aanvraag zou hebben gedaan. Eiser heeft zelf ook geen informatie verstrekt dat er toch wel een aanvraag zou zijn gedaan. De algemene stelling dat bepaalde andere systemen relevante informatie zouden kunnen bevatten, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd.
5.3.
Voorts overweegt de rechtbank dat in het geval eiser eventueel wel een aanvraag zou hebben gedaan, dit nog niet wil zeggen dat er recht op compensatie bestaat. Er moet immers nog worden vastgesteld dat er daadwerkelijk opvang is genoten. De Dienst Toeslagen heeft met het Burgerservicenummer van eiser en van zijn kinderen in de KOI-viewer gezocht of er in de jaren 2007 tot en met 2019 kinderopvang is geweest. Daaruit is niet gebleken dat er opvang heeft plaatsgevonden. Eiser heeft zelf ook niet toegelicht of onderbouwd met stukken of, waar, en wanneer de opvang zou hebben plaatsgevonden.
Onderzoek naar FSV opname
5.4.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij is opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV), oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen aangetroffen dat eiser in de FSV is opgenomen. Voor zover daar al sprake van zou zijn geweest, is dat op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. De rechtbank overweegt hierbij dat het voor de compensatietoekenning bij de integrale beoordeling niet van belang is of eiser geregistreerd stond in de FSV.
6. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiser gedupeerd is als gevolg van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een compensatie aan eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van
mr.J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3141.