Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3157

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
ROT 24/4532
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:106 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW en AIO-aanvulling, intrekking Anw en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding

Eiseres ontving sinds 1998 een Anw-uitkering en vanaf 2022 een AOW-pensioen en AIO-aanvulling. Na onderzoek concludeerde de Sociale Verzekeringsbank dat eiseres vanaf december 2019 een gezamenlijke huishouding voert met haar partner, waarop zij de uitkeringen herzag, de Anw introk en een bedrag van ruim €46.900 terugvorderde.

Eiseres betwistte de gezamenlijke huishouding en voerde aan dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen heeft en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelde vast dat er wel sprake is van een gezamenlijke huishouding vanaf februari 2020, maar dat de startdatum van december 2019 onvoldoende is onderbouwd.

Verder oordeelde de rechtbank dat de Sociale Verzekeringsbank haar eigen aandeel in de vertraging van het onderzoek en besluitvorming niet heeft betrokken in de belangenafweging, waardoor het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is. De terugvordering en intrekking zijn daarom beperkt tot de periode februari 2020 tot en met juli 2021.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de bank zes weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4532

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. de Brito),
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening van het recht op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling), de intrekking van nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), en de terugvordering van hetgeen te veel is uitbetaald. Eiseres is het niet eens met de herziening, intrekking en terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van dringende redenen om de herziening en terugvordering te beperken
.Eiseres krijgt dus voor een deel gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met besluiten van 21 april 2023 en van 6 juni 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling van eiseres herzien, de Anw-uitkering van eiseres ingetrokken en het ten onrechte te veel uitbetaalde AOW-pensioen, AIO-aanvulling en Anw-uitkering teruggevorderd. Met de bestreden besluiten van 15 maart 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. De terugvordering van hetgeen aan eiseres te veel was betaald is vastgesteld op € 46.924,72.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een beroepschrift. Eiseres heeft een nader stuk ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, bijgestaan door tolk J. Bierhof en haar gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres ontving sinds 1 mei 1998 een Anw-uitkering en sinds 1 augustus 2022 een AOW-pensioen en een AIO-aanvulling. Om de rechtmatigheid van haar uitkeringen na te gaan heeft een onderzoek plaatsgevonden door de afdeling Preventie & Handhaving van verweerder. In dat kader hebben de toezichthouders onder meer dossieronderzoek gedaan en huisbezoeken afgelegd op het adres van eiseres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 april 2023.
4. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres vanaf 5 december 2019 een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Met de primaire besluiten heeft verweerder daarom het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling van eiseres met terugwerkende kracht vanaf januari 2020 herzien naar de norm voor gehuwden en de Anw-uitkering van eiseres met ingang van januari 2020 ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder het te veel ontvangen bedrag aan Anw-uitkering, AOW-pensioen en AIO-aanvulling (€ 52.726,34) teruggevorderd van eiseres en haar partner.
5. Aan de bestreden besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het handhavingsrapport blijkt dat de partner van eiseres feitelijk op het adres van eiseres woont en dat zij zorg dragen voor elkaar. De ingangsdatum van 5 december 2019 is de datum dat de partner van eiseres volgens een verklaring van een getuige zijn woning heeft onderverhuurd. Wat betreft de terugvordering heeft verweerder toegelicht dat eiseres over de periode januari 2020 tot en met mei 2023 een bedrag van € 46.924,72 te veel heeft ontvangen. Het totaal door eiseres en haar partner te veel ontvangen bedrag is € 52.726,36 bruto.

Standpunt eiseres

6. Eiseres betwist dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. De partner van eiseres is woonachtig op een ander woonadres; er is sprake van twee afzonderlijke huishoudens. De stukken zijn onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg. Daarnaast kan uit de stukken volgens eiseres niet worden afgeleid waar de vaststelling van de datum van 5 december 2019 op gebaseerd is. Verder voert eiseres aan dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. De bestreden besluiten hebben namelijk onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor eiseres en volledige terugvordering is in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Beoordeling door de rechtbank

7. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (gezamenlijk hoofdverblijf) en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (wederzijdse zorg). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:2284), dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.
8. Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat eiseres en haar partner op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hadden, maakt het niet uit dat zij ingeschreven stonden op verschillende adressen.
9. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Daarbij is van belang dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg ten opzichte van elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft (zie de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2821).
10. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiseres en haar partner een gezamenlijke huishouding voeren. Hiertoe is het volgende van belang.
10.1.
Tijdens het huisbezoek op 2 maart 2023 heeft de partner van eiseres verklaard dat hij bijna dagelijks op het adres van eiseres is en daar ook elke dag slaapt. Op het adres van eiseres ligt een tandenborstel, pantoffels en een badjas van haar partner. Verder heeft de partner verklaard dat hij zijn administratie meeneemt naar het adres van eiseres en heeft hij ook post ontvangen op het adres van eiseres. Uit het onderzoek van verweerder blijkt voorts dat de auto van de partner meermaals voor het adres geparkeerd stond en dat het waterverbruik op het adres van eiseres sinds februari 2020 van zeer laag verbruik is gestegen naar een gebruik van twee personen.
10.2.
Verder blijkt uit het handhavingsrapport dat eiseres en haar partner samen schoonmaken en het huishouden doen op het adres van eiseres. Zij hebben ook verklaard dat de partner van eiseres met eiseres meegaat bij ziekenhuisbezoeken en dat hij soms boodschappen voor haar doet. Anders dan eiseres stelt, blijkt uit het onderzoek van verweerder niet enkel dat eiseres een relatie heeft en dat haar partner occasioneel bij haar overnacht. Hoewel niet is gebleken van een grote mate van financiële verstrengeling, blijkt uit de beschikbare gegevens in voldoende mate van wederzijdse zorg.
11. Alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien, heeft verweerder terecht geoordeeld dat de partner van eiseres het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven heeft op het adres van eiseres en dat sprake is van wederzijdse zorg, zodat een gezamenlijke huishouding kan worden aangenomen.
11.1.
Verweerder gaat uit van 5 december 2019 als startdatum van de gezamenlijke huishouding onder verwijzing naar de onderverhuur van de woning van de partner, met als gevolg herziening en terugvordering per 1 januari 2020. Deze feitelijke grondslag is echter onvoldoende onderbouwd en daarmee onvoldoende overtuigend. Dat de onderhuurder heeft verklaard dat hij de woning van de partner van eiseres sinds 5 december 2019 onderhuurt, maakt niet dat eiseres en haar partner ook vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerden. De partner van eiseres heeft daarentegen tijdens het huisbezoek op 2 maart 2023 verklaard dat hij sinds de ingang van zijn AOW-pensioen (in februari 2020) op het adres van eiseres verbleef. Daarmee is er eerst per 1 februari 2020 voldoende grondslag voor een gezamenlijke huishouding.
12. Nu eiseres de gezamenlijke huishouding niet bij verweerder heeft gemeld, was verweerder gehouden per 1 februari 2020 de Anw-uitkering in te trekken en het onverschuldigd betaalde terug te vorderen, tenzij sprake is van dringende reden om hiervan (gedeeltelijk) af te zien.
13. In zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726) heeft de Raad zijn uitleg van het begrip “dringende redenen” verruimd. De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
14. Vast staat dat de eerste signalen die aanleiding waren voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkeringen van eiseres in juli 2018 bij verweerder zijn binnengekomen. Verweerder is pas vanaf 21 april 2023 tot besluitvorming gekomen. Ondanks de door verweerder gestelde capaciteitsgebreken en het coronavirus heeft het onderzoek zeer lang geduurd, waardoor terugvordering onnodig is opgelopen of ontstaan. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder in juli 2021 in staat moet zijn geweest om tot besluitvorming te komen. Dat brengt met zich mee dat moet worden afgezien van herziening en terugvordering over de periode na 1 augustus 2021, als gevolg van het eigen aandeel van verweerder. Dat betekent dat intrekking, herziening en terugvordering in dit geval beperkt dient te worden tot de periode van februari 2020 tot en met juli 2021.
In hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd over dringende redenen, zoals door verwijzing naar haar gezondheidstoestand, heeft de rechtbank onvoldoende grond gezien voor verdere beperking van de intrekking, herziening en terugvordering.
15. Doordat verweerder zijn eigen aandeel in het oplopen van het terugvorderingsbedrag niet in de belangenafweging heeft betrokken en niet heeft afgewogen tegen de mate waarin de ontstane situatie gevolg is van handelen en nalaten van eiseres, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres deels gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Er is geen grond om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en bij gebrek aan voldoende gegevens kan de rechtbank niet zelf een beslissing over de terugvordering nemen. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking bestaat voor toepassing van een zogenoemde bestuurlijke lus door middel van een tussenuitspraak geen aanleiding.
17. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
18. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de besluiten van 15 maart 2024;
- draagt verweerder op binnen zes wekenna de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.