ECLI:NL:RBROT:2026:3422

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
11914156 VZ VERZ 25-6458
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c lid 1 BWArt. 7:671c lid 2 onder b BWArt. 7:673 lid 1 onder b.2 BWArt. 7:673 lid 4 onder b BWArt. 7:626 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever met toekenning billijke vergoeding

De werknemer werkte als kamermeisje via een arbeidsovereenkomst met AHR, maar stelde dat hij feitelijk in dienst was bij Ö&I, die de schoonmaakwerkzaamheden had overgenomen. Vanaf januari 2025 kreeg hij nauwelijks werk en vanaf maart 2025 helemaal niet meer, terwijl hij ook geen loon ontving en pensioenopbouw stopgezet werd. Ö&I en AHR waren onbereikbaar.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst met Ö&I ontbonden moest worden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De werknemer kreeg loon en vakantietoeslag toegewezen vanaf 1 februari 2026 tot ontbinding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 10.000 vanwege de grote financiële en psychische gevolgen.

Daarnaast werd Ö&I veroordeeld om loonstroken te verstrekken en de werknemer aan te melden bij het pensioenfonds, met dwangsommen bij niet-naleving. Ook werden Ö&I en AHR hoofdelijk veroordeeld tot betaling van vertaalkosten van een eerdere kortgedingdagvaarding en proceskosten.

De kantonrechter vond het handelen van Ö&I ernstig verwijtbaar, mede vanwege het negeren van arbeidsrechtelijke regels en de impact op de werknemer, die zelfs psychisch leed en financiële problemen kreeg. De billijke vergoeding moest ook een afschrikwekkend effect hebben op de werkgever.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en vrijwel alle verzoeken van de werknemer werden toegewezen, behalve enkele onbepaalde pensioencorrectieverzoeken en overige kosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, met toekenning van loon, transitievergoeding, billijke vergoeding en proceskosten aan de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11914156 VZ VERZ 25-6458
datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. J.M.P. Franx,
tegen
de rechtspersonen naar vreemd recht,
1.
Ö&I Clean GROUP GmbH,
vestigingsplaats: Hamburg, Duitsland,
2.
AHR Clean UG,
vestigingsplaats: Norderstedt, Duitsland,
verweersters,
die niet zijn verschenen in deze procedure.
De partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’, ‘Ö&I’ en ‘AHR’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;
  • de akte van [verzoeker] , met een wijziging van het verzoek, met bijlagen;
  • de mail namens [verzoeker] van 13 maart 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 9 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door een tolk, mr. Van Doorn en zijn gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Volgens [verzoeker] speelt het volgende. [verzoeker] werkte als ‘kamermeisje’ voor het schoonmaakbedrijf BoClean, op basis van een arbeidsovereenkomst. Hij maakte schoon bij a&o hostel (hierna: het hostel). Ö&I heeft per januari 2025 de schoonmaakwerkzaamheden bij het hostel overgenomen van BoClean. Ö&I heeft op haar beurt AHR als onderaannemer ingeschakeld. [verzoeker] heeft een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten met AHR voor 19 uur per week. Ö&I en AHR hebben [verzoeker] vanaf januari 2025 echter nauwelijks laten werken en vanaf maart 2025 helemaal niet meer. [verzoeker] heeft ook geen loon gehad, zijn pensioenopbouw is stopgezet en Ö&I en AHR waren onbereikbaar.
2.2.
[verzoeker] stelt (primair) dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met Ö&I. Hij verzoekt de kantonrechter om die overeenkomst te ontbinden. Hij vraagt de kantonrechter Ö&I te veroordelen om aan hem te betalen:
  • het loon van € 1.402,70 per maand vanaf 1 februari 2026;
  • vakantietoeslag vanaf 1 februari 2026;
  • een transitievergoeding;
  • een billijke vergoeding van € 27.984,30.
Hij verzoekt de kantonrechter daarnaast om Ö&I te veroordelen om loonstroken af te geven vanaf februari 2026, op straf van een dwangsom. Hij wil ook dat Ö&I wordt veroordeeld om hem per 2 januari 2025 aan te melden bij het pensioenfonds en de gemiste opbouw te corrigeren en daarvan ook bewijsstukken aan hem te geven, op straf van een dwangsom. Ten slotte vraagt hij Ö&I en AHR hoofdelijk te veroordelen om de vertaalkosten van de dagvaarding in een kort geding tussen hen te betalen en hen ook hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van dat kort geding en deze procedure.
2.3.
[verzoeker] stelt (subsidiair) dat hij, als wordt geoordeeld dat hij niet in dienst is bij Ö&I, hij dan in dienst is bij AHR (die als werkgever wordt genoemd in de arbeidsovereenkomst). Hij stelt voor dat geval dezelfde verzoeken in, deels tegen zowel Ö&I als AHR, deels tegen alleen AHR.
2.4.
De kantonrechter wijst bijna alle verzoeken van [verzoeker] toe. Zij wijst wel een lagere billijke vergoeding toe. Hierna legt ze dit oordeel uit.
Het hostel is geen partij meer
2.5.
In eerste instantie was het verzoek van [verzoeker] ook gericht tegen het hostel. Het hostel heeft daarna echter het salaris en de vakantietoeslag van [verzoeker] voor de periode 1 januari 2025 tot 1 februari 2026 betaald. Zij heeft toegezegd dat zij ook het salaris vanaf 1 februari 2026 tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst zal betalen. In de akte heeft [verzoeker] toen alle verzoeken tegen het hostel ingetrokken. Het hostel heeft niet gereageerd en daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om het hostel nog in de gelegenheid te stellen om te reageren op de intrekking van de verzoeken. Het hostel is gelet op het voorgaande niet meer als procespartij in deze beschikking opgenomen.
De kantonrechter is bevoegd om deze zaak te beoordelen
2.6.
Dit is een internationale zaak, omdat Ö&I en AHR in Duitsland zijn gevestigd en [verzoeker] in Nederland woont en werkt. Daarom moet de kantonrechter beoordelen of zij bevoegd is deze zaak te behandelen. Zij oordeelt dat dit het geval is, omdat de zaak gaat over een arbeidsovereenkomst op basis waarvan [verzoeker] in Nederland werkte (artikel 21 lid 1 onder Pro b.1 EEX-Vo).
Nederlands recht is van toepassing
2.7.
De kantonrechter past in deze zaak het Nederlandse recht toe, omdat de partijen daarvoor hebben gekozen en er geen aanleiding is om ander recht toe te passen (artikel 9 arbeidsovereenkomst Pro en artikel 3 en Pro 8 Rome I-vo).
Ö&I en AHR zijn correct opgeroepen maar niet verschenen
2.8.
Ö&I en AHR zijn door de rechtbank per brief en per mail opgeroepen voor de zitting. De brief aan AHR is retour gekomen.
2.9.
[verzoeker] heeft Ö&I en AHR daarnaast per exploot in Duitsland laten oproepen door een Duitse deurwaarder. Die deurwaarder heeft door middel van een K-formulier bevestigd dat het exploot aan Ö&I volgens de Duitse voorschriften is betekend (artikel 14 en Pro 22 Betekeningsverordening III). De betekening aan AHR kon niet plaatsvinden, omdat zij niet bleek te zijn gevestigd op het adres waar zij staat ingeschreven. [verzoeker] heeft Ö&I en AHR bovendien nog per koerier en door een advertentie in de Staatscourant opgeroepen.
2.10.
De kantonrechter oordeelt dat Ö&I en AHR correct zijn opgeroepen. Omdat zij niet zijn verschenen gaat de kantonrechter ervan uit dat de stellingen van [verzoeker] kloppen.
[verzoeker] heeft een arbeidsovereenkomst met Ö&I
2.11.
[verzoeker] stelt dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met Ö&I, hoewel op het schriftelijke contract staat dat AHR de werkgever is. Hij onderbouwt dat als volgt. Ö&I heeft de schoonmaakwerkzaamheden overgenomen van BoClean. Dat heeft de General Manager van het hostel bevestigd. Op basis van de toepasselijke cao in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf moet Ö&I daarom de werknemers van BoClean overnemen (artikel 44 lid Pro 3). [verzoeker] werd in de praktijk op het werk na de overname ook aangestuurd door Ö&I. Hij kreeg namelijk onder andere instructies van [persoon A] , die bereikbaar is op het mailadres [mailadres] . [persoon A] is dus een vertegenwoordiger van Ö&I. [verzoeker] heeft daarom in de werkelijkheid een arbeidsovereenkomst gesloten met Ö&I. De kantonrechter gaat ervan uit dat al het voorgaande klopt, omdat Ö&I niet heeft gereageerd.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
2.12.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Ö&I per direct, omdat er sprake is van zulke omstandigheden dat de overeenkomst direct moet eindigen (artikel 7:671c lid 1 BW).
2.13.
[verzoeker] heeft onbetwist het volgende gesteld. [verzoeker] heeft een arbeidsovereenkomst voor 19 uur per week. Ö&I heeft hem echter vanaf de start van de arbeidsovereenkomst maar een paar uur per week laten werken en vanaf maart 2025 helemaal niet meer toegelaten tot het werk. Ze heeft in plaats daarvan, in strijd met de cao, ander personeel ingezet. Ze heeft daarnaast niet of nauwelijks loon betaald aan [verzoeker] . [verzoeker] heeft namelijk alleen maar van twee onbekende partijen (Felix Hotel Service GmbH en [persoon B] ) een betaling ontvangen, op 4 maart 2025 € 296,40 en op 21 mei 2025 € 1.714,-. Ö&I heeft bovendien [verzoeker] afgemeld bij het pensioenfonds. [verzoeker] heeft op allerlei manieren geprobeerd om Ö&I te bereiken, maar zij heeft niet inhoudelijk gereageerd. [verzoeker] heeft daarnaast in een kort geding betaling van zijn loon geëist, maar ook dat heeft niet geleid tot een inhoudelijke reactie.
2.14.
Blijkbaar wil Ö&I [verzoeker] niet laten werken en hem ook niet betalen, ondanks dat zij een arbeidsovereenkomst met hem heeft. Daarom vraagt [verzoeker] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is in de gegeven situatie van oordeel dat het geen nut heeft om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter ontbindt die daarom per de datum van deze beschikking.
Ö&I moet het loon van 1 februari 2026 tot 27 maart 2026 betalen
2.15.
Tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst moet Ö&I loon betalen, op basis van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] stelt dat het hostel tot 1 februari 2026 het loon heeft betaald. Hij vraagt de kantonrechter daarom om Ö&I te veroordelen om het loon vanaf die datum te betalen. Dat verzoek wordt toegewezen.
2.16.
Volgens [verzoeker] is zijn maandloon € 1.402,70 bruto. De kantonrechter gaat voor februari 2026 van dit loon uit. Voor maart komt dit tot 27 maart 2026 neer op € 1.221,71 (€ 1.402,70 / 31 dagen x 27 dagen). In totaal wordt dus € 2.624,41 bruto aan loon toegewezen.
Ö&I moet vakantietoeslag van 1 februari 2026 tot 27 maart 2026 betalen
2.17.
[verzoeker] heeft recht op 8% vakantietoeslag (artikel 2.1 arbeidsovereenkomst). Hij vroeg eerst om Ö&I te veroordelen om dat te betalen vanaf 1 mei 2025. Tijdens de zitting heeft hij naar aanleiding van vragen van de kantonrechter bevestigd dat het hostel de vakantietoeslag tot 1 februari 2026 al betaald heeft. Daarom wordt de toeslag toegewezen vanaf 1 februari 2026. Dit komt neer op € 209,95 (€ 2.624,41 x 0,08).
Als het hostel betaalt hoeft Ö&I niet meer aan [verzoeker] te betalen
2.18.
[verzoeker] stelt dat het hostel heeft toegezegd dat zij het loon en de vakantietoeslag tot de einddatum zal betalen, als de arbeidsovereenkomst in deze procedure wordt ontbonden. Aangezien dat het geval is, gaat de kantonrechter ervan uit dat het hostel die toezegging zal nakomen. In dat geval hoeft Ö&I (uiteraard) het loon en de vakantietoeslag niet meer aan [verzoeker] te betalen (artikel 6:30 BW Pro). Naar de kantonrechter begrijpt wil [verzoeker] veroordeling van Ö&I, voor het geval het hostel de toezegging om te betalen niet zal nakomen. De kantonrechter zal bepalen dat een eventuele betaling terzake van loon en vakantietoeslag door het hostel over de periode vanaf 1 februari tot 27 maart 2026 in mindering strekt op de veroordeling van Ö&I tot betaling.
Ö&I moet een transitievergoeding betalen
2.19.
De kantonrechter veroordeelt Ö&I om een transitievergoeding te betalen aan [verzoeker] , omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Ö&I (artikel 7:673 lid 1 onder Pro b.2 BW).
2.20.
Ö&I heeft vanaf de start van de arbeidsovereenkomst [verzoeker] nauwelijks meer laten werken en hem ook niet betaald, met uitzondering van de twee bedragen genoemd in 2.13, die door derden zijn betaald. Dat heeft grote gevolgen gehad voor [verzoeker] . [verzoeker] heeft erop gewezen dat de enige inkomstenbron die hij sinds 10 oktober 2018 had opeens wegviel. Hij heeft beschreven welke gevolgen dit voor hem heeft gehad. Hij stelt dat hij in ernstige financiële problemen is gekomen en dreigde zijn woning te verliezen. Hij heeft op de straten gezocht naar statiegeldblikjes en -flesjes, om te kunnen eten en drinken en zijn eerste levensbehoeften te kunnen betalen. Tijdens de zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat hij at uit de vuilnisbak van het hotel. [verzoeker] stelt verder dat de situatie grote psychische problemen bij hem heeft opgeleverd, omdat hij in onzekerheid verkeerde. Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde hij dat dit hem zelfs op de rand van zelfmoord heeft gebracht. Doordat Ö&I onbereikbaar was voor [verzoeker] heeft ze hem bovendien lang in die onzekerheid gelaten. Dit handelen en nalaten van Ö&I vindt de kantonrechter ernstig verwijtbaar.
2.21.
De kantonrechter gaat bij de berekening uit van de gegevens die [verzoeker] heeft aangevoerd, namelijk het salaris van € 1.402,70 per jaar, 8% vakantietoeslag en 5% eindejaarsuitkering. Dat leidt voor de berekening van de transitievergoeding tot een maandsalaris van € 1.585,05 (€ 1.402,70 x 1,13). Daarnaast gaat de kantonrechter ervan uit dat als startdatum 10 oktober 2018 moet worden gehanteerd. [verzoeker] heeft namelijk onbetwist gesteld dat hij toen in dienst is getreden bij BoClean en dat Ö&I moet worden gezien als opvolgend werkgever van BoClean (artikel 7:673 lid 4 onder Pro b BW), mede gelet op wat de cao hierover bepaalt.
2.22.
Dit leidt tot een transitievergoeding van € 3.944,66, namelijk:
  • € 3.698,45 voor de zeven volle jaren (1/3 x € 1.585,05 x 7 jaar);
  • € 220,15 voor de resterende vijf volle maanden (1/3 x € 1.585,05 / 12 maanden x 5 maanden);
  • € 26,06 voor de resterende 18 dagen (1/3 x € 1.585,05 / 365 dagen x 18 dagen).
Ö&I moet een billijke vergoeding van € 10.000 betalen
2.23.
De kantonrechter kent aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zoals hiervoor is geoordeeld, het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Ö&I (artikel 7:671c lid 2 onder b BW).
2.24.
De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoelang de arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [1] De kantonrechter vindt in dit geval een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto passend. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.25.
[verzoeker] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 27.984,30. Hij neemt daarbij als uitgangspunt dat er sprake is van drie jaar inkomensschade. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] echter verklaard dat hij al sinds juli 2025 weer werkt voor BoClean voor 19 uur per week, omdat Ö&I hem niet betaalde en hem geen werk gaf. Dat is dezelfde arbeidsomvang als die hij bij Ö&I had. [verzoeker] heeft ook niet gesteld dat het loon dat hij bij BoClean verdient lager is dan het loon dat hij bij Ö&I zou hebben verdiend. Dat ligt overigens ook niet voor de hand, omdat de cao waaruit dat loon volgt algemeen verbindend verklaard is. [2] Sinds juli 2025 verdient [verzoeker] dus het loon dat hij ook bij Ö&I zou hebben gehad. Hij heeft niet gesteld dat het aannemelijk is dat dit loon binnenkort zal wegvallen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [verzoeker] geen inkomensschade lijdt door het ernstig verwijtbare handelen en nalaten van Ö&I. Sterker nog, hij heeft voor de achterliggende periode zelfs dubbel loon gekregen, omdat het hostel het loon van januari 2025 tot en met januari 2026 ook heeft betaald.
2.26.
Daar staat tegenover dat door het ernstig verwijtbare handelen van de Ö&I wel alle inkomsten van [verzoeker] per 1 januari 2025 zijn weggevallen. De loonbetaling door het hostel heeft pas recentelijk plaatsgevonden. Zoals hiervoor (2.20) is beschreven, heeft dat grote financiële en psychische gevolgen gehad voor [verzoeker] , waar hij nog steeds psychisch onder lijdt. Daarvoor moet hij gecompenseerd worden.
2.27.
Verder weegt de kantonrechter mee dat Ö&I geen enkel oog heeft gehouden voor de arbeidsrechtelijke verplichtingen die op haar als werkgever rusten. Tot nu toe heeft zij nauwelijks iets betaald (via derden) en vallen de financiële gevolgen voor [verzoeker] vooral mee door het ingrijpen van het hostel en BoClean. De werkwijze van Ö&I ten opzichte van [verzoeker] staat ook niet op zich, aangezien hij onweersproken heeft gesteld dat meerdere van zijn oud-collega’s op dezelfde manier zijn behandeld. Hiernaast heeft [verzoeker] gewezen op een reportage van de NOS in Nieuwsuur van 6 februari 2026, ‘
Hoe een Europees netwerk schoonmakers ronselt voor een Nederlands hotel’. [3] Hieruit blijkt dat Ö&I onder meer asielzoekers en andere arbeidsmigranten ronselt om hen tegen een loon dat ver onder het minimumloon ligt tewerk te stellen. Sommige werknemers krijgen nooit uitbetaald. De billijke vergoeding moet ook zo’n hoogte hebben dat die Ö&I afschrikt om in de toekomst op deze manier de arbeidsrechtelijke regels aan haar laars te lappen.
Ö&I moet loonstroken van februari en maart 2026 afgeven
2.28.
Ö&I is wettelijk verplicht om loonstroken te geven aan [verzoeker] (artikel 7:626 BW Pro). [verzoeker] vraagt de kantonrechter om Ö&I te veroordelen om dat vanaf februari 2026 te doen. Dat verzoek wijst de kantonrechter toe. Concreet betekent dit dat Ö&I loonstroken voor februari en maart 2026 moet afgeven aan [verzoeker] . De kantonrechter vindt een termijn van 30 dagen daarvoor redelijk.
2.29.
[verzoeker] vraagt de kantonrechter om een dwangsom te koppelen aan deze veroordeling. Dat zal de kantonrechter doen, omdat Ö&I tot dit moment geen loonstroken heeft afgegeven. De kantonrechter stelt de dwangsom vast op € 25,- per dag, met een maximum van € 2.500,-.
Ö&I moet [verzoeker] aanmelden bij het pensioenfonds
2.30.
Ö&I had [verzoeker] moeten aanmelden bij het bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Dat staat in de arbeidsovereenkomst (artikel 2.6). Het gaat bovendien om een verplichtgesteld pensioenfonds (artikel 2 Wet Pro bpf 2000). [4] Volgens [verzoeker] heeft Ö&I dat niet gedaan, omdat hij bericht kreeg van het pensioenfonds dat hij geen pensioen meer opbouwt. De kantonrechter veroordeelt Ö&I om [verzoeker] opnieuw te registreren als werknemer voor de periode 2 januari 2025 tot en met 27 maart 2026, zoals [verzoeker] verzoekt. De kantonrechter vindt een termijn van 30 dagen daarvoor redelijk. Het verzoek van [verzoeker] om Ö&I te veroordelen om aan hem een bewijs van aanmelding te sturen wordt ook toegewezen. Zo kan [verzoeker] eventuele discussies met het pensioenfonds vermijden. De kantonrechter koppelt aan deze veroordelingen een dwangsom, zoals [verzoeker] heeft gevraagd. Ze stelt die vast op € 50,- per dag, met een maximum van € 5.000,-.
2.31.
[verzoeker] wil dat de kantonrechter Ö&I ook veroordeelt om ‘zorg te dragen tot correctie van het ten onrechte niet-opgebouwde pensioen’ en ‘tot het uitvoeren van een correcte pensioenopbouw’. Dat deel van het verzoek wijst de kantonrechter af. Dit verzoek is te onbepaald. Bovendien heeft [verzoeker] geen belang bij dit verzoek (artikel 3:303 BW Pro). Uiteraard moet Ö&I pensioenpremie afdragen, maar dat is iets dat speelt tussen het pensioenfonds en Ö&I. [5] Ook als een werkgever gedurende een bepaalde periode geen pensioenpremie afdraagt, maar de werknemer wel onder een verplichtgesteld pensioenfonds valt, kan de werknemer aanspraak maken op een pensioenuitkering over deze periode.
Ö&I en AHR moet de kosten van de kortgedingdagvaarding betalen
2.32.
Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen heeft [verzoeker] ook een kort geding gevoerd tegen Ö&I en AHR. Hij heeft kosten gemaakt voor het vertalen en het betekenen van de dagvaarding in die zaak. Hij heeft in het kort geding een vergoeding van die kosten geëist, maar die is afgewezen omdat die kosten niet gespecificeerd waren.
2.33.
[verzoeker] wil dat Ö&I en AHR alsnog hoofdelijk worden veroordeeld om de vertaalkosten van de kortgedingdagvaarding te betalen. Die eis wordt toegewezen, omdat deze proceskosten ten behoeve van Ö&I en AHR gezamenlijk zijn gemaakt (artikel 9 lid Pro 2 Betekeningsverordening). Uit een prijsopgaaf bij de akte van [verzoeker] blijkt dat het gaat om € 1.210,71.
2.34.
[verzoeker] eist in deze zaak ook dat Ö&I en AHR hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de kortgedingprocedure. In het kortgedingvonnis is echter al geoordeeld over de proceskosten. Tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak heeft [verzoeker] op vragen van de kantonrechter bevestigd dat hij hiermee alleen de kosten voor het betekenen van de kortgedingdagvaarding bedoelt, die heeft geleid tot het vonnis van 18 november 2025. [6] Die kosten zijn in de kortgeding procedure als onvoldoende onderbouwd afgewezen omdat de kosten niet waren gespecificeerd en geen facturen of betalingsbewijzen waren overgelegd. Dat is nu anders. Bij de mail van [verzoeker] zit een factuur van de deurwaarder van 12 september 2025, met een specificatie van de kosten die de deurwaarder daarvoor in rekening heeft gebracht. De kantonrechter wijst € 119,40 per partij toe voor het betekenen van de dagvaarding (artikel 240 Rv Pro en artikel 2 lid 1 sub a Btag Pro) en € 14,49 voor het plaatsen van een advertentie in de Staatscourant ten behoeve van AHR (artikel 9 Btag Pro). De deurwaarder heeft ook nog allerlei andere kosten in rekening gebracht, zoals kosten voor het kopiëren en afgeven van documenten, afdracht aan de KBvG, dossierkosten en portokosten. [verzoeker] heeft niet aangegeven waarom deze kosten voor rekening van Ö&I en AHR zouden moeten komen. De kantonrechter ziet zelf niet waarom dit wel zo zou zijn (artikel 238 lid 2 en Pro 240 Rv).
2.35.
De wettelijke rente over deze proceskosten wordt toegewezen.
2.36.
Eén van de specificaties van [verzoeker] ziet verder op de kosten van de betekening van het kortgedingvonnis. Uit de specificatie van de proceskostenveroordeling in dat vonnis blijkt dat er ook een bedrag is toegewezen voor de nakosten. De kantonrechter veroordeelt Ö&I en AHR daarom niet om die kosten te betalen. De proceskostenveroordeling in het kortgedingvonnis levert namelijk ook voor de nakosten al een executoriale titel op. [7] Dit gaat dus ook over de nakosten in verband met de noodzakelijke betekening van de uitspraak.
Ö&I moet de proceskosten betalen
2.37.
De proceskosten komen voor rekening van Ö&I, omdat [verzoeker] terecht dit verbindingsverzoek heeft ingediend door het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten en van Ö&I.
2.38.
AHR hoeft de proceskosten niet te betalen, omdat zij alleen maar wordt veroordeeld om de kosten van de kortgedingprocedure te betalen. Als [verzoeker] deze kosten direct in die procedure had onderbouwd had AHR geen partij in de onderhavige procedure hoeven zijn.
2.39.
De kantonrechter begroot de kosten die Ö&I aan [verzoeker] moet betalen op € 125,57 aan explootkosten, € 90,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.224,57. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend. De gevraagde wettelijke rente over deze proceskosten wordt toegewezen.
2.40.
De overige kosten die de deurwaarder in rekening heeft gebracht voor de oproep voor de zitting van 9 maart 2026 worden afgewezen, zoals hiervoor toegelicht (2.34).
2.41.
In eerste instantie zou op 11 maart 2026 een zitting plaatsvinden. De kantonrechter die deze zitting zou doen is echter overleden. Daarom is de zitting verplaatst naar 9 maart 2026. [verzoeker] had Ö&I toen al opgeroepen voor de zitting van 11 maart 2026. Ze heeft de kantonrechter gevraagd om Ö&I ook in die kosten te veroordelen. Daarvoor ziet de kantonrechter geen aanleiding. Deze extra oproepingskosten zijn niet door Ö&I veroorzaakt.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.42.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per 27 maart 2026;
3.2.
veroordeelt Ö&I om aan [verzoeker] te betalen:
  • € 2.624,41 bruto aan loon;
  • € 209,95 bruto aan vakantietoeslag;
  • € 3.944,66 bruto aan transitievergoeding;
  • € 10.000,- bruto aan billijke vergoeding;
en bepaalt dat een eventuele betaling terzake van loon en vakantietoeslag door het hostel over de periode vanaf 1 februari tot 27 maart 2026 in mindering strekt op voornoemde veroordeling van Ö&I tot betaling van het loon en vakantietoeslag;
3.3.
veroordeelt Ö&I om de loonstroken van februari en maart 2026 aan [verzoeker] af te geven binnen dertig dagen na de betekening van dit vonnis en bepaalt dat zij een dwangsom moet betalen van € 25,- per dag dat zij dit niet doet, met een maximum van € 2.500,-;
3.4.
veroordeelt Ö&I om [verzoeker] voor de periode 2 januari 2025 tot en met 27 maart 2026 als haar werknemer te registreren bij het bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en veroordeelt haar om een bewijsstuk van die registratie aan [verzoeker] af te geven, binnen dertig dagen na de betekening van dit vonnis, en bepaalt dat zij een dwangsom moet betalen van € 50,- per dag dat zij dit niet doet, met een maximum van € 5.000,-;
3.5.
veroordeelt Ö&I en AHR hoofdelijk om € 1.210,71 aan [verzoeker] te betalen;
3.6.
veroordeelt Ö&I om € 119,40 aan [verzoeker] te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de veertiende dag nadat deze beschikking is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.7.
veroordeelt AHR om € 133,89 aan [verzoeker] te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de veertiende dag nadat deze beschikking is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.8.
veroordeelt Ö&I in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] ten aanzien van Ö&I worden begroot op € 1.224,57, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de veertiende dag nadat deze beschikking is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
33394

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (
2.Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 september 2024 tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf, Staatscourant 2024 nr. 26737
3.https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2601230-hoe-een-europees-netwerk-schoonmakers-ronselt-voor-een-nederlands-hotel
4.Staatscourant 2025, 34195, Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf
5.Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8462, 3.5 en 3.6, Hoge Raad 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2375, 3.11
6.Kantonrechter Rechtbank Rotterdam 18 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15745
7.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853, 2.3