ECLI:NL:RBROT:2026:347

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11880224 VZ VERZ 25-6054
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arbeidsovereenkomst en ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding

In deze zaak heeft de kantonrechter te Rotterdam op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer, [verzoeker], en zijn werkgever, [verweerster]. De werknemer was sinds 1 augustus 2024 in dienst bij [verweerster] als Medewerker technisch/commerciële binnendienst, maar werd in februari 2025 arbeidsongeschikt. In juli 2025 ontdekte [verweerster] dat de werknemer verslaafd was aan cocaïne, wat leidde tot de vernietiging van de arbeidsovereenkomst op 22 juli 2025 op basis van bedrog en ontslag op staande voet. De werknemer verzocht de kantonrechter om de vernietiging van de arbeidsovereenkomst en het ontslag te vernietigen, en om betaling van achterstallig loon en andere vergoedingen.

De kantonrechter oordeelde dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst en het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig waren, omdat niet vaststond dat het functioneren van de werknemer door cocaïnegebruik was beïnvloed. De kantonrechter concludeerde dat de werknemer niet hoefde te informeren over zijn drugsgebruik bij indiensttreding, omdat dit niet vaststond dat dit zijn functioneren belemmerde. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 28 februari 2026, omdat er wel sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer kreeg recht op achterstallig loon en andere vergoedingen, en de kantonrechter verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11880224 VZ VERZ 25-6054
datum uitspraak: 14 januari 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: Capelle aan den IJssel,
verzoeker, verweerder in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. J.O. Bohr,
tegen
[verweerster],
vestigingsplaats: Capelle aan den IJssel,
verweerster, verzoekster in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. T.P.M.D. de Leeuw-Jansen.
De partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoeker], met bijlagen;
  • het aanvullend verzoekschrift van [verzoeker];
  • het verweerschrift van [verweerster], met bijlagen;
  • de akte overlegging producties van [verweerster], met bijlagen;
  • de mail namens [verzoeker] van 15 december 2025, met bijlagen;
  • de pleitnotities van beide partijen.
1.2.
Op 17 december 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [verzoeker] was daarbij aanwezig met [naam 1] (zijn stiefbroer) en zijn gemachtigde. Namens [verweerster] zijn [naam 2] (directeur), [naam 3] (leidinggevende) en de gemachtigde verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoeker] is op 1 augustus 2024 bij [verweerster] in dienst getreden als Medewerker technisch / commerciële binnendienst. Sinds februari 2025 is [verzoeker] arbeidsongeschikt. In juli 2025 is [verweerster] erachter gekomen dat [verzoeker] verslaafd is aan cocaïne. Volgens [verweerster] was hij dat al toen hij in dienst kwam. Ze vindt dat [verzoeker] dat had moeten melden. Ze heeft daarom op 22 juli 2025 de arbeidsovereenkomst vernietigd, op basis van (primair) bedrog, of (subsidiair) dwaling en [verzoeker] (meer subsidiair) op staande voet ontslagen.
2.2.
[verzoeker] vraagt de kantonrechter om een beslissing te nemen voor de tijd dat deze procedure duurt (voorlopige voorziening). Hij wil dat [verweerster] wordt veroordeeld om € 7.999,96 aan achterstallig loon te betalen, met wettelijke verhoging en wettelijke rente, en het loon vanaf september 2024.
2.3.
Hij vraagt in de hoofdzaak om voor recht te verklaren dat de vernietiging niet rechtsgeldig is en dat het ontslag op staande voet in strijd is met het opzegverbod bij ziekte en dat ook geen sprake is van een dringende reden. Hij verzoekt de kantonrechter om de vernietiging en opzegging te vernietigen en te bepalen dat de overeenkomst niet is geëindigd. Hij wil daarnaast dat [verweerster] wordt veroordeeld om aan hem te betalen:
  • € 7.999,96 aan achterstallig loon, met wettelijke rente en wettelijke verhoging;
  • het loon vanaf september 2025;
  • € 885,52 aan buitengerechtelijke kosten.
Hij verzoekt tenslotte dat [verweerster] wordt veroordeeld om loonstroken af te geven, op straf van een dwangsom.
2.4.
[verweerster] is het niet eens met de eis. Volgens haar is de vernietiging en het ontslag terecht. Als de kantonrechter anders oordeelt, vraagt zij om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.5.
Ze vraagt de kantonrechter zelf om [verzoeker] te veroordelen om € 23.661,60 aan haar te betalen, met wettelijke rente en € 1.011,62 aan buitengerechtelijke kosten. Dit gaat om het loon dat [verweerster] aan [verzoeker] heeft betaald over de periodes waarin hij ziek was of vakantie had. Als de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt, vraagt ze hem om die zo snel mogelijk te ontbinden.
Het oordeel van de kantonrechter
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat de vernietiging en het ontslag op staande voet niet geldig zijn. De arbeidsovereenkomst loopt daarom nog door en [verweerster] moet loon betalen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2026. In deze beschikking licht hij dit oordeel toe.
De voorlopige voorziening wordt afgewezen
2.7.
De kantonrechter neemt in deze beschikking direct een eindbeslissing. Hij hoeft daarom geen beslissing meer te nemen voor de tijd dat de procedure duurt. De gevraagde voorlopige voorziening wordt dus afgewezen.
[verweerster] had niet het recht om de arbeidsovereenkomst te vernietigen
2.8.
[verweerster] heeft in de eerste plaats de arbeidsovereenkomst vernietigd, omdat ze stelt dat [verzoeker] haar bedrogen heeft. Volgens [verweerster] was hij namelijk bij de start van de arbeidsovereenkomst al niet in staat om het overeengekomen werk uit te voeren, omdat hij verslaafd was aan cocaïne, maar heeft hij dit verzwegen. Ze wijst er daarbij op dat in de arbeidsovereenkomst staat “
De werknemer verklaart dat hem geen medische belemmeringen, die aan een goede uitvoering van zijn functie in de weg staan, bekend zijn” (artikel 1.7). Volgens haar had [verzoeker] daar ook niet voor kunnen tekenen.
2.9.
De kantonrechter oordeelt dat niet vaststaat dat [verzoeker] door cocaïne niet in staat was om de afgesproken werkzaamheden uit te voeren. Daarom kon [verweerster] de arbeidsovereenkomst niet om deze reden vernietigen. Dat licht de kantonrechter hierna toe.
2.10.
[verzoeker] is in het verleden cocaïneverslaafd geweest. Hij is afgekickt van die verslaving. Bij de jaarwisseling van 2023 op 2024 heeft hij toch weer cocaïne gebruikt. Vanaf dat moment is hij in ieder geval met enige regelmaat weer cocaïne gaan gebruiken.
2.11.
In de processtukken en tijdens de zitting is er vrij veel discussie geweest over de vraag of het cocaïnegebruik van [verzoeker] op 1 augustus 2024 (de start van de arbeidsovereenkomst) was aan te merken als verslaving of recreatief gebruik. Dat vindt de kantonrechter niet doorslaggevend. Dit betreft een definitiediscussie. Er bestaat bovendien geen algemene plicht om een werkgever te informeren over een (eventuele) drugsverslaving, zo lang een werknemer het afgesproken werk kan doen. Ook uit artikel 1.7 van de arbeidsovereenkomst volgt deze zelfde maatstaf.
2.12.
Doorslaggevend is of [verzoeker] bij het aangaan van de overeenkomst wist of had moeten weten dat zijn cocaïnegebruik zijn functioneren in de weg zou staan. [1] Volgens [verweerster] is dat het geval. Ze baseert dat kort gezegd op de stelling dat zijn functioneren er vanaf de start van het dienstverband daadwerkelijk onder geleden heeft en dat [verzoeker] dit had kunnen weten, zeker omdat hij eerder verslaafd is geweest. Ze stelt dat [verzoeker] als gevolg van het cocaïnegebruik (1) regelmatig te laat kwam (2) en regelmatig ziek was en (3) en niet goed functioneerde. Daar gaat de kantonrechter hierna op in.
Regelmatig te laat komen
2.13.
Vanaf de start van het dienstverband is [verzoeker] in ieder geval een aantal keer te laat gekomen. In het verweerschrift heeft [verweerster] een overzicht opgenomen. Daaruit volgt dat hij acht keer te laat was. Volgens [verweerster] was de werkelijke situatie ‘nog vele malen erger’. In het verweerschrift schrijft ze eerst dat hij wekelijks te laat kwam (4.9), later één of twee keer per week (6.14) en in de pleitnotitie ‘vrijwel dagelijks’ (18). [verzoeker] heeft dit betwist.
2.14.
Zelfs als vast zou staan dat dit zo vaak was, dan nog betekent dit niet dat dit het gevolg is van cocaïnegebruik. Volgens [verweerster] is dat het geval. De kantonrechter begrijpt dat de redenering van [verweerster] is dat cocaïnegebruik leidt tot slapeloosheid, vermoeidheid en een kater en dat dit dus de reden moet zijn geweest dat [verzoeker] te laat kwam. Die redenering is gebaseerd op de stelling dat [verzoeker] niet uit zijn bed kon komen en op de stelling dat dit het gevolg is van cocaïnegebruik.
2.15.
[verzoeker] heeft dat betwist. Hij heeft andere verklaringen gegeven. Volgens hem heeft hij altijd al moeite om uit bed te komen, had hij moeite om om te schakelen van zijn vorige onregelmatige baan in de horeca naar deze baan en zat soms het openbaar vervoer tegen.
2.16.
Vervolgens heeft [verweerster] haar stellingen niet verder onderbouwd. De kantonrechter oordeelt daarom dat deze stellingen onvoldoende zijn onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting van [verzoeker]. Het feit dat het te laat komen wellicht verklaard zou kunnen worden door een cocaïneverslaving, betekent niet dat dit automatisch ook de werkelijke verklaring is.
2.17.
Het belangrijkste argument van [verweerster] is dat [verzoeker] zelf zou hebben toegegeven dat hij door cocaïnegebruik te laat kwam. Op 18 juli 2025 heeft [verweerster] namelijk een gesprek van ongeveer een uur gevoerd met [verzoeker], waarin [verzoeker] open is geweest over zijn cocaïnegebruik en de gevolgen daarvan. Van dat gesprek is een opname en een transcript gemaakt. Volgens [verweerster] blijkt hieruit dat [verzoeker] heeft toegegeven dat het te laat komen door het drugsgebruik komt. [verzoeker] heeft dat betwist. De kantonrechter ziet dat zelf ook niet.
2.18.
[verweerster] heeft tijdens de zitting, in reactie op vragen van de kantonrechter, gewezen op het volgende. Tijdens het gesprek heeft [verweerster] herhaaldelijk aangegeven dat zij het gevoel heeft dat de verslaving bij indiensttreding al speelde. Een keer antwoordt [verzoeker] hierop “
het is inderdaad sinds vorig jaar is het al begonnen en die pieken die merk ik, ik kan mezelf ook niet precies opleggen wanneer het van kwaad naar erger is gegaan. Maar wat jullie zeggen als het in augustus, als het toen, ja jullie kunnen dat aan de data beter zien dan dat ik dat kan zien denk ik.” (24:48) Volgens [verweerster] heeft [verzoeker] het dan over data waarop hij ziek of te laat was en geeft hij daarmee toe dat dit door cocaïne kwam. [verzoeker] heeft dat betwist. De kantonrechter vindt dit een erg vergaande conclusie voor een vaag citaat uit een gesprek van bijna een uur. Bovendien heeft [verweerster] twee minuten later in dat gesprek expliciet gevraagd, of te laat komen met cocaïnegebruik te maken had. [verzoeker] antwoordt daarop: “
Vaak was het ook echt gewoon omdat ik de trein gemist had of net te laat aankwam en dat is gewoon puur omdat ik 's ochtends. En ja, dat of ik nu gebruikte of niet. 's Ochtends is voor mij gewoon heel erg lastig. Dat is vaak los daarvan. Tuurlijk. Als je het niet gebruikt hebben ben je wat meer uitgerust en dergelijke, Maar ik val gewoon heel slecht in slaap, ook als ik in die periode niet gebruikt heb, in die 6 jaar dat ik clean was. Als ik om elf uur in bed ging liggen, dan sliep ik om twee uurs nachts.” (27:07). Uit deze citaten in hun samenhang blijkt onvoldoende dat [verzoeker] hier toegeeft dat hij door het gebruik te laat kwam. Dat [verzoeker] dit verband ook op andere momenten zou hebben toegegeven is niet gesteld of gebleken.
Regelmatige ziekte
2.19.
[verzoeker] is daarnaast vier keer een paar dagen ziek geweest. Sinds 18 maart 2025 is hij langdurig ziek geworden. Ook deze ziekteperiodes had volgens [verweerster] met het cocaïnegebruik te maken. Hiervoor geldt hetzelfde als voor het te laat komen. Volgens [verzoeker] heeft dit niets met cocaïnegebruik te maken. [verweerster] heeft dit vervolgens niet onderbouwd. Ook uit de gesprekopname van het gesprek van 18 juli 2025 volgt dit niet.
Onvoldoende functioneren
2.20.
In het verweerschrift heeft [verweerster] ook gesteld dat [verzoeker] als gevolg van het cocaïnegebruik inhoudelijk niet goed functioneerde. Dat heeft ze daar niet concreet gemaakt. Tijdens de zitting heeft ze daarvan voorbeelden gegeven, met een verwijzing naar verklaringen van collega’s. Het gaat erom dat hij fouten maakte, mail niet afhandelde en dat hij zich liet afleiden.
2.21.
[verzoeker] heeft betwist dat hij niet goed functioneerde. Hij heeft aangevoerd dat hij juist regelmatig complimenten kreeg voor zijn werk. Hij heeft wel aangegeven dat hij sommige taken moest uitvoeren waar hij niet goed voor ingewerkt was en daardoor soms fouten maakte, maar dat hij wel altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd.
2.22.
De kantonrechter kan nu niet vaststellen hoe goed [verzoeker] functioneerde. Dat hoeft ook niet. Zelfs als het zou kloppen, dan volgt ook voor het (mogelijke) disfunctioneren dat uit niets blijkt dat dit door het cocaïnegebruik is veroorzaakt.
Conclusie: geen bedrog
2.23.
Zoals hiervoor is beschreven is de stelling van [verweerster] dat [verzoeker] al vanaf het begin door zijn cocaïnegebruik niet in staat was om het werk te doen. Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] wel te laat is gekomen en ziek is geweest, maar dat niet vaststaat dat dit door het cocaïnegebruik komt. Hetzelfde geldt voor een mogelijk disfunctioneren van [verweerster].
2.24.
In het algemeen merkt de kantonrechter op dat het begrijpelijk is dat [verweerster] vragen aan [verzoeker] had, toen zij erachter kwam dat hij aan cocaïne verslaafd is. Zij had hem expliciet kunnen vragen of hij verslaafd was bij de start van de arbeidsovereenkomst en in hoeverre de ziekte, het te laat komen en het mogelijke disfunctioneren daarmee te maken heeft, maar dat heeft ze niet gedaan. Ze heeft er in het gesprek op 18 juli 2025 een beetje omheen gedraaid. Zo heeft ze verschillende keren ‘gevist’ naar de vraag of hij al aan cocaïne was verslaafd bij de start van het dienstverband (bijvoorbeeld 12:38, 15:59, 22:53, 23:54 en 30:21). Ze heeft het hem echter niet op de man af gevraagd, maar steeds vaag, zoals: “
Ja, maar dan zit voor mijn gevoel dat het al van toen je in dienst kwam, dat het toen al speelde bij je.”, zonder concreet te maken wat er precies speelde. [verzoeker] heeft geantwoord, maar onduidelijk is welke vraag hij nu precies beantwoordt. [verweerster] heeft alle antwoorden geïnterpreteerd op een manier die past bij het gevoel dat zij heeft, maar voor de kantonrechter is dit dus niet voldoende.
2.25.
[verweerster] heeft ook geen verder bewijs aangeboden van deze stelling. Zij heeft wel bewijs aangeboden van de stelling dat [verweerster] dit verklaard zou hebben op 18 juli 2025. Zij heeft echter al een woordelijk transcript van dit gesprek in het geding gebracht, dat op zich ook niet ter discussie staat. Bewijs dat dit transcript klopt maakt dus geen verschil.
2.26.
De kantonrechter concludeert daarom dat de stelling dat [verzoeker] door drugsgebruik zijn werk niet kon doen, onvoldoende is onderbouwd. Dat geldt al helemaal voor de stelling dat dat op het moment waarop de arbeidsovereenkomst is aangegaan al het geval was. Dat betekent dat [verzoeker] [verweerster] niet hoefde te informeren over zijn drugsgebruik en ook dat het tekenen van (onder andere) artikel 1.7 van de arbeidsovereenkomst geen bedrog oplevert (artikel 3:44 lid 3 BW). De kantonrechter zal daarom voor recht verklaren dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst op grond van bedrog niet rechtsgeldig is.
2.27.
[verzoeker] vraagt ook om de vernietiging te vernietigen. Die mogelijkheid biedt de wet niet. Dat deel van het verzoek wijst de rechter dus af.
Er is ook geen sprake van dwaling
2.28.
[verweerster] heeft de overeenkomst daarnaast vernietigd op grond van dwaling. Dit is ook gebaseerd op de stelling dat [verzoeker] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst zijn cocaïnegebruik had moeten melden, maar dat niet heeft gedaan. Omdat die stelling onvoldoende is onderbouwd, is ook de vernietiging op basis van dwaling niet rechtsgeldig (artikel 6:228 BW).
Over het tegenverzoek tot terugbetaling hoeft niet te worden geoordeeld
2.29.
[verweerster] heeft een tegenverzoek ingesteld tot terugbetaling van ontvangen loon, voor het geval de buitengerechtelijke vernietiging in stand blijft. Aangezien dat niet het geval is, beoordeelt de kantonrechter dat tegenverzoek niet.
Het ontslag op staande voet is niet geldig
2.30.
De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd (artikel 7:681 lid 1 onder a en artikel 7:671 BW). [verzoeker] is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en er is niet voldaan aan alle voorwaarden voor een ontslag op staande voet, omdat in ieder geval geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag (artikel 7:677 lid 1 BW). Met een dringende reden wordt bedoeld: één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW).
2.31.
De dringende reden is volgens [verweerster] ook dat [verzoeker] zijn cocaïneverslaving heeft verzwegen. Ook hiervoor moet dus vaststaan dat [verzoeker] wist of had moeten weten dat het cocaïnegebruik hem ongeschikt maakte voor het werk. [2] Zoals hiervoor al is geoordeeld zijn de stellingen van [verweerster] op dit punt onvoldoende onderbouwd.
2.32.
[verweerster] heeft in het verweerschrift ook nog allerlei andere omstandigheden aangevoerd in het kader van het ontslag op staande voet, zoals liegen en officiële waarschuwingen tijdens het dienstverband. Die omstandigheden kunnen geen onderbouwing vormen. Bij het ontslag op staande voet heeft [verweerster] namelijk alleen als reden meegedeeld dat [verzoeker] bij de start van het dienstverband zijn verslaving heeft verzwegen. Het is dus alleen de vraag of die ontslaggrond vast komt te staan. Andere redenen kunnen er niet later bij worden gehaald. [3]
De andere verzoeken over het ontslag op staande voet worden afgewezen
2.33.
[verzoeker] vraagt de rechter ook om voor recht verklaren dat er geen dringende reden is en te bepalen dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Die verzoeken hebben naast de vernietiging van de opzegging geen afzonderlijke betekenis en worden daarom afgewezen, omdat [verzoeker] daar geen belang bij heeft (artikel 3:303 BW).
2.34.
[verzoeker] vraagt de kantonrechter ook om voor recht te verklaren dat de opzegging in strijd is met het opzegverbod bij ziekte. Bij een ontslag op staande voet geldt dat opzegverbod niet (artikel 7:670a lid 2 sub c BW). Alleen al om die reden wordt dit verzoek afgewezen.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
2.35.
Doordat de vernietiging niet geldig is en de opzegging wordt vernietigd, is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. [verweerster] wil dat de kantonrechter die alsnog ontbindt. Dat verzoek wijst de kantonrechter toe. Er is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor opzegging (artikel 7:671b lid 2 en 7:669 BW) . Er geldt daarnaast wel een opzegverbod maar het verzoek houdt hier geen verband mee (artikel 7:671b lid 6 BW). Hierna wordt uitgelegd waarom.
Er is een redelijke grond
2.36.
Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW). Volgens [verweerster] is er (primair) sprake van verwijtbaar handelen van [verzoeker], of (subsidiair) van een verstoorde arbeidsverhouding, of (meer subsidiair) een combinatie van die twee. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen dat tot ontbinding kan leiden, maar wel van een verstoorde arbeidsverhouding. Dat licht hij hierna toe.
Er is geen sprake van een verwijtbaar handelen
2.37.
[verweerster] stelt dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker], waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder e BW). De kantonrechter vindt dat hiervan geen sprake is.
2.38.
Het verwijtbaar handelen bestaat volgens [verweerster] deels uit het verzwijgen van de cocaïneverslaving. Zoals hiervoor al is besproken kan dat geen onderbouwing vormen.
2.39.
[verweerster] voert verder aan dat [verzoeker] onvoldoende meewerkt aan re-integratie. Dat kan ook geen onderbouwing vormen, omdat [verweerster] geen deskundigenverklaring van het UWV heeft overhandigd (artikel 7:671b lid 5 onder b BW).
2.40.
Ten slotte heeft [verweerster] aangevoerd dat hij tijdens het dienstverband vaak te laat kwam of helemaal niet kwam opdagen. Dat vindt de kantonrechter onvoldoende basis voor het toewijzen van dit verzoek. [verweerster] heeft hem op 2 april 2025 namelijk een waarschuwing hiervoor gegeven. Ze schrijft daarin dat wanneer dit zich herhaalt dit een reden kan zijn om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Kennelijk vond zij het zelf toen ook nog onvoldoende reden om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, wat de kantonrechter overigens met haar eens is. Daarna heeft [verweerster] niet meer gewerkt. Dat hij daarvoor te laat of afwezig was, kan daarom niet nu opeens wel een reden vormen om de overeenkomst te beëindigen.
Er is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding
2.41.
[verweerster] stelt in de tweede plaats dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding waardoor het niet redelijk is als zij de arbeidsovereenkomst moet laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder g BW). Dat is een redelijke grond als de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. De kantonrechter vindt dat hiervan sprake is. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.42.
Het is de kantonrechter tijdens de zitting duidelijk geworden dat [verweerster] het vertrouwen in [verzoeker] helemaal verloren is. Zij ziet het niet zitten dat hij nog langer voor haar werkt.
2.43.
De arbeidsverhouding van [verzoeker] is nooit optimaal geweest. Zoals uit het voorgaande blijkt kwam hij regelmatig te laat en verscheen hij ook regelmatig helemaal niet. [verweerster] heeft er veel tijd en energie in gestoken om [verzoeker] te begeleiden in de hoop dat zijn functioneren zou verbeteren. Zij dacht dat het vooral ging om privéproblemen en mentale problemen. [verweerster] heeft met de beste intenties en met goed vertrouwen zich ingespannen voor [verzoeker]. [verzoeker] heeft in het gesprek van 18 juli 2025 ook gemeld dat hij dit gezien heeft en gewaardeerd heeft. Ondanks dat de verhouding niet optimaal was, heeft [verweerster] dus veel geïnvesteerd.
2.44.
Tijdens de arbeidsongeschiktheid is het toch al niet optimale dienstverband van [verzoeker] verder verslechterd. In relatief korte tijd heeft [verzoeker] meerdere waarschuwingen gehad, doordat hij onbereikbaar was of niet kwam opdagen en niet meewerkte aan re-integratie.
2.45.
De genadeklap was uiteindelijk dat [verweerster] er via de vader van [verzoeker] achter is gekomen dat hij drugsverslaafd is. Voor haar is dat niet los te zien van de voorvallen tijdens het dienstverband. Zij koppelt nu alle negatieve dingen die tijdens het dienstverband zijn gebeurd aan de cocaïneverslaving. Ze vindt dat [verzoeker] open kaart had moeten spelen.
2.46.
De kantonrechter heeft hiervoor al geoordeeld dat [verzoeker] op zich geen plicht had om het drugsgebruik te melden en dat ook niet vaststaat dat de negatieve voorvallen met het drugsgebruik te maken hebben. Duidelijk is dat [verweerster] hier heel zwaar aan tilt en dat zij meer openheid van [verzoeker] had verwacht. Vanuit haar bezien is de verhouding dus zeker verstoord.
2.47.
Ook vanuit [verzoeker] zelf bezien zal terugkeer moeilijk zijn. Zijn vertrouwen in [verweerster] is ook ernstig beschadigd. Tijdens deze procedure stelt hij onder andere dat [verweerster] zijn woorden verdraaid en hem onder valse voorwendselen heeft uitgehoord. Ook stelt hij dat zij een manipulatief gesprek met hem heeft gevoerd en dat ze bewust feiten onjuist weergeeft. Volgens hem is dit te verklaren doordat zij om financiële belangen wil toewerken naar een einde van de arbeidsovereenkomst. Hieruit blijkt dat ook van zijn kant het vertrouwen in [verweerster] ernstig geschaad is.
2.48.
De kantonrechter ziet niet in hoe deze arbeidsverhouding weer goed moet komen. Zoals het spreekwoord zegt: “
vertrouwen komt te voet en gaat te paard.” Hij ziet niet in hoe het vertrouwen in [verzoeker] op een duurzame manier kan worden hersteld en hoe partijen weer op een vertrouwensbasis met elkaar kunnen samenwerken. Zeker niet na deze procedure, waarin de verhouding verder op scherp is gezet. Daarbij is van belang dat het dienstverband van [verzoeker] kort is geweest. Ook speelt mee dat [verweerster] een relatief klein bedrijf is. Zij heeft van drie medewerkers verklaringen aangeleverd: HR-medewerker [naam 4], leidinggevende [naam 3], directe collega [naam 5]. Zij hebben alle drie geen vertrouwen meer in [verzoeker]. Ook directeur [naam 2] heeft tijdens de zitting aangegeven dat een terugkeer ondenkbaar is.
[verzoeker] kan niet worden herplaatst
2.49.
Voor ontbinding is verder vereist dat [verzoeker] niet binnen een redelijke termijn kan worden herplaatst in een andere passende functie (artikel 7:669 lid 1 BW). Daarvoor ziet de kantonrechter geen kansen. Ook bij een andere functie in dit kleine bedrijf moet [verzoeker] samenwerken met dezelfde collega’s. De arbeidsverhouding blijft dan net zo goed verstoord. [verzoeker] heeft overigens ook niet gesteld dat herplaatsing mogelijk is.
Er geldt een opzegverbod maar er wordt toch ontbonden
2.50.
Nog een vereiste voor ontbinding is dat er geen opzegverbod geldt waardoor ontbinding niet is toegestaan. Aan die eis is ook voldaan. Er geldt wel een opzegverbod, maar het verzoek houdt geen verband met de omstandigheden waarop dit opzegverbod betrekking heeft.
2.51.
[verzoeker] is arbeidsongeschikt. Daarom geldt het opzegverbod bij ziekte (artikel 7:670 lid 1 BW). Het ontbindingsverzoek heeft niet te maken met de verslaving van [verzoeker]. [verweerster] heeft gesteld dat het erom gaat dat de onderlinge verhouding tussen [verzoeker] en [verweerster] is verstoord door het gebrek aan openheid dat [verzoeker] heeft gegeven, in samenhang met het korte, incidentvolle dienstverband van [verzoeker]. Dat heeft [verzoeker] niet betwist.
De arbeidsovereenkomst eindigt op 28 februari 2026
2.52.
Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 28 februari 2026 (artikel 7:671b lid 9 BW). Daarbij is rekening gehouden met de opzegtermijn van een maand.
2.53.
[verweerster] wilde dat de kantonrechter geen rekening zou houden met de opzegtermijn, omdat volgens haar sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Dat ziet de kantonrechter anders. Zoals uit het voorgaande blijkt is er geen sprake van verwijtbaar handelen, laat staan van ernstig verwijtbaar handelen.
[verweerster] krijgt geen termijn om haar verzoek in te trekken
2.54.
[verweerster] heeft gevraagd om een termijn om het ontbindingsverzoek in te trekken als de kantonrechter oordeelt dat [verzoeker] recht heeft op een (transitie)vergoeding. [verzoeker] en [verweerster] hebben de kantonrechter echter allebei niet gevraagd om te oordelen over een (transitie)vergoeding. Aan die voorwaarde is dus niet voldaan. [verweerster] krijgt dus geen gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken.
[verweerster] € 3.740,- aan achterstallig loon tot en met augustus 2025 betalen
2.55.
[verzoeker] vraagt de kantonrechter om [verweerster] te veroordelen om € 7.999,96 aan achterstallig loon te betalen, berekend tot en met augustus 2025. De kantonrechter wijst een lager bedrag toe.
2.56.
Bij de start van de arbeidsovereenkomst zijn [verweerster] en [verzoeker] een salaris van € 3.400,- per maand overeengekomen. Volgens [verzoeker] had dit loon op basis van de cao Grootmetaal per 1 januari 2025 en 1 juni 2025 moeten worden verhoogd. [verweerster] heeft dat in haar verweerschrift betwist. Zij heeft verwezen naar de arbeidsovereenkomst, waarin staat: “
Dit salaris is inclusief de verhoging die gedurende het tijdelijke dienstverband volgt op grond van de CAO-Grootmetaal.” Volgens haar hebben de partijen daarmee bedoeld af te spreken dat [verzoeker] de betreffende salarisverhogingen al vanaf de start van zijn dienstverband zou krijgen, maar dat zijn salaris dus niet nog een keer zou worden opgehoogd. Dat heeft [verzoeker] niet betwist. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het salaris nog steeds € 3.400,- per maand is.
2.57.
[verweerster] heeft gesteld dat zij het loon tot en met juli 2025 heeft betaald. Daarvan heeft ze ook bewijzen bij het verweerschrift gevoegd. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] dit niet betwist.
2.58.
Het voorgaande betekent dat er berekend tot en met augustus 2025 sprake is van € 3.400,- aan achterstallig loon.
2.59.
Zoals uit het voorgaande volgt is er geen sprake van een geldige vernietiging of een geldig ontslag op staande voet. Daarom kan [verweerster] geen schadevergoeding of onterecht betaald loon verrekenen met dit bedrag, zoals zij heeft aangevoerd.
[verweerster] moet wettelijke rente betalen
2.60.
[verweerster] had het loon uiterlijk 31 augustus 2025 moeten betalen (artikel 4.1 arbeidsovereenkomst). Dat heeft ze niet gedaan. Ze moet daarom vanaf die datum wettelijke rente betalen over het loon van augustus 2025 (artikel 6:119 en 6:83 onder a BW). Dat verzoek van [verzoeker] wordt dus toegewezen.
[verweerster] moet € 340,- wettelijke verhoging betalen
2.61.
[verzoeker] vraagt ook de wettelijke verhoging over dit loon. Daarop heeft hij recht op grond van de wet, omdat [verweerster] het loon niet op tijd heeft betaald. De kantonrechter matigt deze verhoging tot 10%, omdat de reden dat [verweerster] niet betaald heeft geen onwil is, maar omdat zij vond dat zij rechtsgeldig de arbeidsovereenkomst had beëindigd. Dit komt neer op € 340,-. [verweerster] moet dus totaal € 3.740,- betalen, berekend tot en met augustus 2025.
[verweerster] moet buitengerechtelijke kosten vergoeden
2.62.
[verzoeker] heeft geprobeerd om buiten de kantonrechter om zijn loon te krijgen. Hij heeft recht op een vergoeding van de kosten die hij daarbij heeft gemaakt (artikel 6:96 BW). Het verzoek van [verzoeker] dat daarop ziet wordt daarom toegewezen. Wel worden de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag € 3.740,-. Dat komt neer op € 603,79 inclusief btw (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten). In totaal moet [verweerster] dus € 4.343,79 betalen (€ 3.740,- + € 603,79).
[verweerster] moet het loon doorbetalen van 1 september 2025 tot en met 28 februari 2026
2.63.
Vanaf 1 september 2025 tot en met 28 februari 2026 moet [verweerster] het loon ook doorbetalen. Dat verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen. Hij heeft gevraagd [verweerster] te veroordelen om ‘toekomend salaris en emolumenten’ te betalen, zonder een concreet bedrag te noemen. De kantonrechter wijst daarom € 3.400,- per maand toe. Daar komt nog vakantietoeslag bij. Dat er sprake is van andere emolumenten heeft [verzoeker] niet gesteld. Overigens heeft [verzoeker] dit dubbel gevraagd (onder II en IV). Dit wordt (uiteraard) maar een keer toegewezen.
[verweerster] moet loonstroken verstrekken
2.64.
[verzoeker] wil dat [verweerster] wordt veroordeeld om binnen zeven dagen loonstroken te verstrekken. [verweerster] is dat verplicht op grond van de wet (artikel 7:626 BW). De kantonrechter wijst dit verzoek dus toe, voor de loonstroken van augustus tot en met december 2025. [verzoeker] heeft namelijk niet geschreven welke loonstroken hij bedoelt. De loonstroken tot en met juli 2025 zitten al bij het verweerschrift. Die hoeft [verweerster] dus niet nog een keer te sturen. De loonstroken vanaf januari 2025 hoeft [verweerster] pas te sturen als het salaris van die maanden wordt betaald.
2.65.
De kantonrechter koppelt geen dwangsom aan deze veroordeling. [verweerster] heeft namelijk aangegeven dat zij aan de veroordeling zal voldoen. De kantonrechter heeft geen reden om daaraan te twijfelen.
[verweerster] moet de proceskosten betalen
2.66.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster], omdat [verzoeker] terecht deze procedure is gestart. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoeker] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.039,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.67.
[verzoeker] heeft de kantonrechter gevraagd om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [verweerster] heeft gevraagd om dat niet te doen. Dat verweer gaat niet op. De kantonrechter verklaart de beschikking dus uitvoerbaar bij voorraad (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
2.68.
Het uitgangspunt is dat een uitspraak uitvoerbaar moet zijn, ook tijdens een eventueel hoger beroep. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken als het belang van [verweerster] om niet aan de beschikking te hoeven voldoen zwaarder weegt dan het belang van [verzoeker] bij het uitvoeren hiervan. [4] De kantonrechter oordeelt dat daarvan geen sprake is.
2.69.
[verweerster] heeft erop gewezen dat zij mogelijk in hoger beroep zal gaan. Als daarin anders wordt geoordeeld is het de vraag of zij het betaalde loon nog kan terugeisen, omdat [verzoeker] schulden heeft. Dat (restitutie)risico is een gerechtvaardigd belang van [verweerster]. Het weegt echter niet zwaarder dan dat van [verzoeker]. [verzoeker] heeft namelijk sinds juli 2025 van de een op de andere dag geen inkomen meer. Hij heeft daarom een groot belang bij het ontvangen van dit loon.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst op grond van bedrog en dwaling van 22 juli 2025 niet rechtsgeldig is;
3.2.
vernietigt de opzegging van 22 juli 2025;
3.3.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] € 4.343,79 te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.400,- vanaf 1 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per 28 februari 2026;
3.5.
veroordeelt [verweerster] om vanaf 1 oktober 2025 tot en met 28 februari 2026 het loon van € 3.400,- per maand, exclusief vakantietoeslag, te betalen aan [verzoeker];
3.6.
veroordeelt Van [verweerster] om de loonstroken van de maanden augustus tot en met december 2025 aan [verzoeker] te verstrekken binnen zeven dagen nadat deze beschikking is betekend;
3.7.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.039,-;
3.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
33394

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3303, 6.4
2.Hoge Raad 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4170
3.Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, 3.4.2 en 3.4.3
4.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, 5.8