Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3883

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/10/716034 / FA RK 26-1836
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 WvggzArt. 7:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening zorgmachtiging op grond van Wvggz ondanks onduidelijke psychiatrische diagnose

De rechtbank Rotterdam behandelde op 25 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een zorgmachtiging voor betrokkene, die lijdt aan een psychische stoornis. Hoewel de precieze psychiatrische kwalificatie onduidelijk is, is vastgesteld dat betrokkene kenmerken vertoont van een autismespectrumstoornis en een schizofreniforme ontwikkeling. De rechtbank oordeelt dat deze onduidelijkheid de verlening van de zorgmachtiging niet in de weg staat.

Betrokkene vertoont ernstig nadeel door zijn psychische stoornis, waaronder langdurige sociale isolatie, onvoldoende zelfzorg, financiële schulden en het risico op lichamelijk letsel en psychische schade. Hij is niet in staat zijn leven zelfstandig te organiseren en weigert medicamenteuze behandeling, waardoor vrijwillige zorg niet mogelijk is.

De rechtbank acht verplichte zorg noodzakelijk, waaronder medicatie, medische controles, beperking van bewegingsvrijheid, en opname in een instelling. Minder bezwarende alternatieven zijn niet beschikbaar. De zorgmachtiging wordt verleend voor zes maanden, met als doel stabilisatie en herstel van betrokkene, waarna ambulante zorg kan volgen.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden ondanks onduidelijke psychiatrische diagnose vanwege ernstig nadeel en het ontbreken van vrijwillige zorgmogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/716034 / FA RK 26-1836
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 25 maart 2026 betreffende een zorgmachtiging in aansluiting op een voortzetting crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1999, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in [naam instelling] te [plaatsnaam] ,
advocaat mr. J.W.F. Noot te Dordrecht.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 6 maart 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 4 maart 2026;
  • de niet ingevulde zorgkaart;
  • het zorgplan van 27 februari 2026;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wvggz;
  • de relevante politiegegevens van betrokkene;
  • het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2] , arts (hierna: de behandelaar), [naam 1] , onafhankelijk psychiater, en [naam 3] , psychiater, allen verbonden aan Yulius.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig vond.

2.Beoordeling

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2026, is op grond van artikel 7:7 Wvggz Pro een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend. Tijdig, te weten op 6 maart 2026, is dit verzoek ingediend.
2.2.
De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling namens betrokkene primair afwijzing van het verzoek bepleit. De advocaat heeft hiertoe aangevoerd dat de diagnose van betrokkene onvoldoende duidelijk is. Voor het verlenen van een zorgmachtiging moet de diagnose vaststaan. In de medische verklaring wordt gesproken over een mogelijke schizofrene ontwikkeling, waarbij er geen sprake lijkt te zijn van denkstoornissen. In het zorgplan gaat het over een schizofreniforme ontwikkeling, waarbij wel aanwijzingen zijn voor denkstoornissen. Verder zijn er bij betrokkene geen psychotische klachten, zoals wanen, waargenomen, terwijl psychose wel als reden wordt aangeduid voor medicamenteuze behandeling. Daar komt bij dat ook de aanwezigheid van de andere stoornis, te weten een autismespectrumstoornis, slechts mager is onderbouwd. Betrokkene is coöperatief in gesprek en hij maakt adequaat contact. Zijn isolatie gedurende de afgelopen jaren kan een kenmerk zijn van ASS, maar het kan ook slechts een mechanisme zijn om overprikkeling te voorkomen. Niet duidelijk is of hier ernstig nadeel, zoals lichamelijk letsel, uit voortvloeit. Alles bij elkaar bestaat volgens de advocaat onvoldoende duidelijkheid over de psychiatrische diagnose van betrokkene, terwijl deze duidelijkheid wel nodig is om iets te kunnen zeggen over de noodzaak en effectiviteit van behandeling. Daarom zou het verzoek moeten worden afgewezen.
2.2.1.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de overgelegde stukken blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Bij betrokkene worden kenmerken gezien van een autismespectrumstoornis en het vermoeden bestaat dat bij hem sprake is van een schizofren(iform)e ontwikkeling. Tijdens de mondelinge behandeling is door zowel de onafhankelijk psychiater als door de behandelaar bevestigd dat bij betrokkene in elk geval sprake is van een psychische stoornis. Daarover is wat hen betreft geen enkele twijfel mogelijk. De precieze psychiatrische kwalificatie daarvan staat nog niet vast omdat het bij betrokkene gaat om complexe problematiek, maar gedacht wordt aan een combinatie van de eerder genoemde stoornissen, namelijk een autismespectrumstoornis en een schizofrene ontwikkeling. Waarschijnlijk is dus sprake van comorbiditeit, waarbij ook PTSS een rol kan spelen, gezien de traumatische gebeurtenissen in het verleden van betrokkene en de symptomen waarover betrokkene heeft verteld. Verder hebben de onafhankelijk psychiater en de behandelaar uitgelegd dat voor het behandelen van betrokkene de precieze diagnose nog niet hoeft vast te staan. Hij heeft zich jarenlang aan zorg onttrokken, waardoor (medische) informatie over de afgelopen jaren ontbreekt. De tijd zal moeten uitwijzen wat de exacte aard en omvang van de problematiek is die bij betrokkene speelt. Dit betekent niet dat behandeling op dit moment niet effectief is. Behandeling met antipsychotica is zowel bij autisme als bij schizofrenie effectief. Hier is al mee gestart en de behandelaar ziet een positief effect daarvan.
2.2.2.
Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat voldoende vaststaat dát bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis. Onduidelijkheid over de psychiatrische kwalificatie, over de oorzaken van de psychische stoornis en over de behandeling hoeft de verlening van een zorgmachtiging niet in de weg te staan. [1] De rechtbank wijst om deze reden ook het subsidiaire verzoek van de advocaat om een second opinion af. Zij oordeelt verder als volgt.
2.3.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en een ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander.
2.3.1.
Uit de stukken blijkt dat betrokkene in februari 2026 in beeld kwam bij de crisisdienst, naar aanleiding van een incident tussen hem en zijn moeder, waarbij hij zijn moeder had buitengesloten uit hun woning en de politie de deur van zijn slaapkamer heeft moeten forceren. Vervolgens is gebleken dat betrokkene zich gedurende de afgelopen jaren in toenemende mate sociaal heeft geïsoleerd, waarbij hij het merendeel van zijn tijd op zijn kamer doorbracht en het laatste jaar vrijwel volledig alleen maar op zijn kamer zat. Zijn middelbare schoolopleiding (VWO) heeft betrokkene voortijdig beëindigd. Ook andere activiteiten die eerder voor sociale interactie en structuur zorgden, zoals voetbal en contact met vrienden, onderneemt betrokkene al jaren niet meer. Verder volgt hij geen opleiding en heeft hij geen werk of structurele dagbesteding. Hij heeft ook geen uitkering of andere vorm van inkomsten. Door dit ernstige terugtrekgedrag participeert betrokkene niet meer in de maatschappij en is zijn psychosociale ontwikkeling gestagneerd. Voorafgaand aan zijn opname verbleef hij in zijn slaapkamer met afgeplakte ramen en was hij waarschijnlijk al lange tijd niet meer buiten geweest. Deze langdurige sociale isolatie en het ontbreken van een gestructureerde daginvulling brengen risico’s met zich mee op (verdere) psychische achteruitgang en verwaarlozing. In de thuissituatie zou verder sprake zijn van herhaaldelijk huiselijk geweld tussen moeder en betrokkene.
2.3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de behandelaar aangevuld dat betrokkene eigenlijk al jarenlang eenzaam op zijn kamer zit, zonder sociale contacten. Verder was de zelfzorg van betrokkene onvoldoende en heeft hij financiële schulden opgebouwd. Het lukte betrokkene dus niet om zelf zijn leven te organiseren. Dit is opvallend, juist gezien het feit dat betrokkene een hoge intelligentie en veel begrip van zaken heeft. Het starten van antipsychotica lijkt hem nu wat rust te geven (hoewel betrokkene daar zelf anders over denkt). De verbetering is echter nog pril. Wanneer betrokkene op dit moment zou terugkeren naar de thuissituatie, bestaat het risico dat hij terugvalt in zijn sociaal isolement en opnieuw niemand binnenlaat. Daarom zal betrokkene eerst klinisch behandeld moeten worden, om zo toe te werken naar ambulante behandeling onder begeleiding van het FACT of VIP.
2.4.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, en de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor, heeft betrokkene zorg nodig.
2.5.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Het ziektebesef en -inzicht van betrokkene is beperkt. Hij is het niet eens met de gestelde diagnoses en ontkent psychotische symptomen. Daarom ziet hij geen noodzaak voor medicamenteuze behandeling. Bovendien wil betrokkene graag per direct terug naar huis. Volgens de behandelaar is het echter wel noodzakelijk dat betrokkene wordt behandeld met medicatie. Aanvankelijk zal betrokkene daarvoor opgenomen moet blijven. Als hij terug gaat naar huis is ambulante begeleiding noodzakelijk om een nieuwe terugval te voorkomen. Om die reden is verplichte zorg nodig.
2.6.
De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Daarbij heeft de advocaat namens betrokkene meer subsidiair gepleit voor het beperken van de zorgvormen tot het verlenen van medewerking aan ambulante zorg.
2.6.1.
De rechtbank verwerpt dit verweer, nu de behandelaar nadrukkelijk heeft aangegeven dat behandeling in de thuissituatie nog niet meteen mogelijk is. Aanvankelijk zal betrokkene voor de medicamenteuze behandeling opgenomen moeten blijven. Het uiteindelijke doel van de opname is wel dat betrokkene met ambulante (na)zorg kan terugkeren naar huis.
2.6.2.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank dat de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn om het ernstig nadeel af te wenden:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;
  • het beperken van de bewegingsvrijheid;
  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
  • het opnemen in een accommodatie.
2.7.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het toedienen van vocht en voeding en het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, zijn niet noodzakelijk, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de psychiater tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
2.8.
Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.9.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden met ingang van vandaag.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.6.2. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 25 september 2026;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 25 maart 2026 mondeling gegeven door mr. C.J. Frikkee, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. de Visser, griffier, en op 8 april 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Voetnoten