ECLI:NL:RBROT:2026:397
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning gedeeltelijke schadevergoeding wegens niet-opleggen loonsanctie door UWV
Verzoekster heeft het UWV verzocht om vergoeding van schade als gevolg van een besluit waarbij het UWV niet tijdig een loonsanctie aan haar werkgever oplegde. De rechtbank stelt vast dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld doordat het de werkgever niet voor het einde van de wachttijd informeerde, waardoor de loondoorbetalingsverplichting niet kon worden verlengd.
De rechtbank beoordeelt dat verzoekster schade heeft geleden in de periode van 1 april 2024 tot en met 25 oktober 2024, omdat haar WW-uitkering lager was dan het loon dat zij zou hebben ontvangen bij oplegging van de loonsanctie. De pensioenschade en het gemiste recht op een dertiende maand worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De transitievergoeding die verzoekster ontving wordt niet verrekend met de schadevergoeding omdat deze voortkomt uit een andere gebeurtenis dan het niet-opleggen van de loonsanctie. De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van een netto bedrag van €5.610,33 aan verzoekster, wijst het overige verzoek af en vergoedt geen proceskosten.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €5.610,33 aan schadevergoeding wegens niet-opleggen van een loonsanctie, overige schadevergoedingen worden afgewezen.