ECLI:NL:RBROT:2026:4503

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/5595
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 AwbArt. 47 WIAArt. 48 WIAArt. 53 WIAArt. 64 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum en hoogte IVA-uitkering wegens hulpbehoevendheid

Eiser, die sinds 2011 arbeidsongeschikt is door psychische klachten, betwistte de ingangsdatum en hoogte van zijn IVA-uitkering. Het UWV kende hem per 1 september 2018 een IVA-uitkering toe van 85% vanwege hulpbehoevendheid. Eiser stelde dat de uitkering met terugwerkende kracht per 1 mei 2014 en op 100% had moeten worden vastgesteld.

De rechtbank beoordeelde de medische rapporten en concludeerde dat er vanaf 1 september 2018 sprake was van duurzaam geen benutbare mogelijkheden, maar niet eerder. De hulpbehoevendheid was vastgesteld op een niveau dat recht gaf op 85% verhoging, niet op 100%, omdat geen continue oppassing noodzakelijk was.

De rechtbank vond het besluit van het UWV zorgvuldig en goed gemotiveerd en wees het beroep van eiser af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; de ingangsdatum van de IVA-uitkering is 1 september 2018 met een uitkeringspercentage van 85%.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5595

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M. de Boorder),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

Het beroep ziet op de ingangsdatum van de aan eiser verstrekte uitkering en de hoogte van het uitkeringspercentage. De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV een juiste ingangsdatum heeft gehanteerd en terecht de hoogte van het uitkeringspercentage op 85% heeft vastgesteld.

Procesverloop

Met het besluit van 29 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser per
1 september 2018 een WIA [1] -uitkering toegekend, die 85% van het WIA-maandloon bedraagt vanwege de hulpbehoevendheid.
Met het besluit van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard en hem per 1 september 2018 een IVA [2] -uitkering toegekend die 85% van het WIA-maandloon bedraagt vanwege de hulpbehoevendheid.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiser heeft op 11 november 2025 en 23 februari 2026 zijn beroepsgronden aangevuld.
Het UWV heeft op 3 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

1.1.
Eiser, laatstelijk werkzaam als werkmeester, is op 29 november 2011 ziek uitgevallen vanwege forse psychische klachten als gevolg van een arbeidsconflict. In aansluiting op de toepasselijke wachttijd heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden ten behoeve van de vaststelling op het recht op een WIA-uitkering. Met het besluit van 23 juli 2014 heeft het UWV eiser een WIA-uitkering geweigerd, omdat sprake was van benutbare mogelijkheden en hij per
27 november 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Aan hem is daarna een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Eiser heeft zich op 17 november 2023 met terugwerkende kracht per 2010 ziek gemeld, omdat zijn beroepsziekte eerder nog niet voldoende in beeld was en dit op dat moment wel het geval was.
1.3.
In verband hiermee heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten behoeve van de beoordeling van de herleving van de WIA en de hulpbehoevendheid plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op het medisch spreekuur van 23 mei 2024 gezien. De verzekeringsarts komt in het rapport van 27 mei 2024 vervolgens tot de conclusie dat er per 1 september 2018, binnen vijf jaar na de eerdere schatting, toegenomen beperkingen waren die maken dat sprake was van geen benutbare mogelijkheden bij eiser. De verzekeringsarts acht eisers situatie per 3 januari 2024 duurzaam. Het UWV heeft vervolgens het primaire besluit genomen.
1.4.
Tijdens de heroverweging in bezwaar komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 25 juni 2025 tot de conclusie dat er reden is om af te wijken van het oordeel van de primaire arts ten aanzien van de ingangsdatum van de uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet voldoende (medische) argumenten om te stellen dat al sprake was van duurzaam geen benutbare mogelijkheden per 1 september 2018. Ten aanzien van de hulpbehoevendheid komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie dat bij eiser sprake is van hulpbehoevendheid, maar dat hij niet voldoet aan de criteria voor ophoging van de uitkering tot 100%. Het UWV heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiser

2. Eiser voert in beroep aan dat hij per 1 mei 2014 recht heeft op een IVA-uitkering. Gelet op de in bezwaar ter onderbouwing aangeleverde medische stukken dient het UWV de IVA-uitkering met terugwerkende kracht per die datum toe te kennen naar een mate van 100% van het maandloon wegens hulpbehoevendheid. Sinds 29 november 2011 is al sprake van eenzelfde ziekteoorzaak (PTSS) zonder herstel of tussenliggende arbeidsperiode. Eiser voert aan dat de toekenning per 1 september 2018 evident onjuist is en in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd.

Beoordeling door de rechtbank

3. In geschil is de ingangsdatum van 1 september 2018 en de hoogte van het uitkeringspercentage wegens hulpbehoevendheid van de IVA-uitkering.
3.1.
Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
3.2.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De ingangsdatum van de IVA-uitkering
4.1.
Het UWV heeft aan de besluitvorming in bezwaar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juni 2025 ten grondslag gelegd. In dat rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat per
1 september 2018 sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Uit de ingebrachte medische stukken, waaronder de in het kader van de Participatiewet (Pw) opgestelde stukken, blijkt dat na de einde wachttijd beoordeling en in ieder geval per 1 september 2018 sprake was van geen benutbare mogelijkheden op basis van een disfunctioneren op persoonlijk en sociaal vlak. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat eiser in juni 2017 werd doorverwezen naar de specialistische GGZ wegens aanhoudende klachten en noodzaak tot voortzetting van behandeling, welke behandeling – op dat moment – nog een verbetering van de belastbaarheid had kunnen opleveren. In de daaropvolgende jaren is echter geen verbetering opgetreden. Dit blijkt uit de beoordelingen op grond van de Pw en wat eiser hierover vertelt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarmee afdoende gemotiveerd dat om die reden ook sprake was van duurzaam geen benutbare mogelijkheden vanaf 1 september 2018 en dat die duurzaamheid niet pas per 2024 is ingetreden. Eiser heeft verder geen (medische) onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat eerder dan
1 september 2018 sprake is van een situatie van duurzaam geen benutbare mogelijkheden. Eiser heeft op de zitting nader toegelicht dat de ingangsdatum voor de IVA-uitkering
1 mei 2014 zou moeten zijn, omdat hij per die datum geen inkomen meer heeft. Het moment waarop eiser geen inkomen meer had en de stelling dat voor 2018 ook geen medische verbetering is gemeld, maken de omstandigheid dat uit de (medische) stukken niet blijkt van een situatie van duurzaam geen benutbare mogelijkheden per 2014 niet anders.
4.2.
Door met terugwerkende kracht per 1 september 2018 datum een IVA-uitkering toe te kennen, heeft het UWV toepassing gegeven aan artikel 47, in verbinding met artikel 64, tiende lid, van de WIA. Daarmee heeft het UWV toepassing gegeven aan het bijzondere geval en is afgeweken van de datum van de aanvraag van eiser (17 november 2023).
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de ingangsdatum van de IVA-uitkering op 1 september 2018 heeft vastgesteld.
De hulpbehoevendheid
5.1.
Vooropgesteld wordt dat het duidelijk is dat eiser veel belemmeringen ondervindt in het dagelijkse leven. Tussen partijen is ook niet in geschil dat hij hulp nodig heeft. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat zijn uitkering naar 100% opgehoogd zou moeten worden op grond van wat uit de beschikbare rapporten over zijn hulpbehoevendheid blijkt en de interpretatie van de Beleidsregels. Voor een verhoging tot 100% van de grondslag is ten minste vereist dat ofwel de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen, ofwel continue oppassing noodzakelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat uit de aandoening en de aanwezige informatie volgt dat sprake is van geregelde handreikingen door derden, maar dat continue oppassing in het geval van eiser niet noodzakelijk is. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat eiser zelfstandig woont en dat mensen bij hem langskomen om hem te helpen, maar dat deze hulp niet continu is. Ook blijkt uit de brief van de psycholoog uit 2024 dat het beloop ten aanzien van de concentratie en geheugen wisselend is en dat verantwoordelijkheden worden nagekomen, ten koste van de eigen gezondheid. Dit volgt ook uit de door eiser gegeven toelichting, namelijk dat hij per twee weken in een supportgroep verblijft en dat hij ook enkele dagen in zijn eigen huis verblijft. Van verzekerde hulp bij alle of nagenoeg alle essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen, ofwel continue oppassing is dus geen sprake.
5.2.
Uit het voorgaande volgt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat eiser per 1 september 2018 recht heeft op een verhoging van zijn IVA-uitkering tot 100%.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het UWV terecht de ingangsdatum van de IVA-uitkering heeft vastgesteld op 1 september 2018 met een uitkeringspercentage van 85% wegens hulpbehoevendheid. De rechtbank volgt de conclusie van het UWV. Het bestreden besluit is goed gemotiveerd en zorgvuldig voorbereid.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Het kader voor de ingangsdatum van de IVA-uitkering
In artikel 4:1 van Pro de Awb is bepaald dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
Op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA ontstaat recht op een IVA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien hij de wachttijd heeft doorlopen, hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
Op grond van artikel 48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA ontstaat, indien op de dag, bedoeld in artikel 47, tweede lid, geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan, omdat de verzekerde op die dag niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering met ingang van de dag dat hij wel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand, recht had op een WGA-uitkering.
In artikel 64, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het UWV op aanvraag vaststelt of recht op een uitkering op grond van artikel 47 ontstaat Pro.
Op grond van artikel 64, tiende lid, van de Wet WIA is het UWV bevoegd het recht op een uitkering op grond van deze wet ambtshalve vast te stellen indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid.
Op grond van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA kan het recht op een uitkering op grond van deze wet niet worden vastgesteld over een periode gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
Op grond van artikel 64, twaalfde lid, van de Wet WIA is het elfde lid van overeenkomstige toepassing indien het recht op uitkering op grond van deze wet later ontstaat dan wel herleeft of indien de uitkering op grond van deze wet wordt verhoogd.
In de memorie van toelichting bij de totstandkoming van artikel 64, twaalfde lid, van de Wet WIA is het volgende vermeld:
“Omdat het recht op uitkering of de hoogte van de uitkering op grond van deze wet niet alleen op aanvraag kan herleven respectievelijk worden gewijzigd, maar ook ambtshalve, wordt in het nieuwe twaalfde lid geregeld dat het elfde lid van overeenkomstige toepassing is wanneer geen sprake is van een aanvraag. Daardoor kan de herleving of het later ontstaan van het recht dan wel de verhoging van de uitkering niet vroeger ingaan dan 52 weken voorafgaand aan de dag waarop het UWV heeft vastgesteld dat daarvan sprake is. Hiermee wordt aangesloten bij de overige arbeidsongeschiktheidswetten, waar deze beperking in terugwerkende kracht op vergelijkbare wijze is geregeld.” [3]
Het kader voor de hulpbehoevendheid
Op grond van artikel 53 van Pro de WIA, voor zover hier van belang, wordt, indien de verzekerde verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van de hulpbehoevendheid verhoogd tot maximaal 100% van het dagloon.
Bij de uitvoering van artikel 53 van Pro de Wet WIA hanteert het UWV de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (de Beleidsregel). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad voor Beroep [4] kan de Beleidsregel de rechterlijke toetsing doorstaan.
Het beleid kent twee categorieën, te weten een verhoging tot 85% of een verhoging tot 100%.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 100% van de grondslag indien - kort weergegeven - de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen of continue oppassing noodzakelijk is.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 85% van de grondslag indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.
Gelet op de tekst van artikel 53 van Pro de Wet WIA en de tekst van de Beleidsregel moet voor een verhoging tot 85% van de grondslag altijd sprake zijn van zowel geregelde verzorging als geregelde oppassing. Het gaat dus om twee cumulatieve criteria. Onder geregelde verzorging wordt verstaan hulp bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen. Onder geregelde oppassing wordt verstaan de situatie waarbij sprake is van geregelde handreikingen door derden. Uit de Beleidsregel volgt dat het bij de behoefte aan geregelde verzorging en oppassing gaat om hulp bij essentiële ADL, zoals onder meer wassen, aan- en uitkleden en de toiletgang. Huishoudelijke taken als boodschappen doen, eten koken, (af)wassen, strijken en schoonmaken behoren niet tot de bedoelde levensverrichtingen. [5]

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 10 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1378.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3893 en de uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1378.