Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4510

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
12102765 VV EXPL 26-98
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 139 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering in kort geding tegen werkgever

In deze kort gedingprocedure vordert eiser betaling van achterstallig en lopend loon van zijn werkgever, die niet is verschenen. De kantonrechter constateert dat er sprake is van spoedeisend belang omdat het loon moet worden betaald en dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is.

De werkgever wordt verstek verleend en veroordeeld tot betaling van het bruto loon over de maanden oktober 2025 tot en met februari 2026, alsmede het lopende loon vanaf maart 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt. Daarnaast wordt de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente conform artikel 6:119 BW Pro toegewezen.

De proceskosten worden begroot op €814,- en komen voor rekening van de werkgever. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiser direct betaling kan afdwingen, ook als hoger beroep wordt ingesteld.

De uitspraak is gedaan door kantonrechter S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de loonvordering toe en veroordeelt de werkgever tot betaling van achterstallig en lopend loon met wettelijke verhoging en rente.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12102765 VV EXPL 26-98
datum uitspraak: 18 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. K. Hoesenie,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 26 februari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 18 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] , bijgestaan door M. Suleman als tolk Arabisch, en met mr. Hoesenie. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

2.De beoordeling

Toewijzing eis
2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is, want hij eist betaling van loon. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt [1] .
Proceskosten
2.2.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt [2] . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 93,- aan griffierecht en € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 814,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [eiser] met een toevoeging procedeert en daarom geen dagvaardingskosten hoefde te betalen [3] .
Uitvoerbaar bij voorraad
2.3.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat [eiser] dat eist [4] . Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
  • € 11.901,60 bruto aan achterstallig loon over de maanden oktober 2025 tot en met februari 2026;
  • de wettelijke verhoging van dat loon zoals bedoeld in artikel 7:625 BW Pro;
  • de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de loonbedragen van
€ 2.380,32 bruto per maand in de genoemde maanden vanaf de data waarop deze loonbedragen verschuldigd zijn geworden tot de dag dat volledig is betaald;
- € 2.380,32 € 2.380,32 bruto aan loon per maand vanaf de maand maart 2026 totdat de loonbetalingsverplichting / arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op
€ 814,-;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 139 Rv Pro
2.Artikel 237 Rv Pro
3.Artikel 40 Wet Pro op de rechtsbijstand
4.Artikel 233 Rv Pro