Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4635

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/9573
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 PwArt. 8 Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlaging bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking aan re-integratietraject

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde eisers een maatregel op waarbij de bijstandsuitkering voor de maand juli 2025 met 100% werd verlaagd vanwege onvoldoende medewerking aan een aangeboden voorziening. Eisers maakten bezwaar en stelden beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht de maatregel oplegde op grond van artikel 18 van Pro de Participatiewet en de toepasselijke verordening. Eisers hadden onvoldoende meegewerkt aan het re-integratietraject 'Samen Sterk Naar Werk', onder meer door zonder toestemming twee weken naar het buitenland te gaan en afspraken met de werkcoach af te zeggen. Daarnaast leverden zij geen medische gegevens aan ondanks daartoe gelegenheid.

De rechtbank verwierp de bezwaren dat het traject niet passend was vanwege medische omstandigheden, taalniveau, opleidingsniveau en werkervaring. Ook was er geen wettelijke verplichting tot het geven van een waarschuwing voorafgaand aan de maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlaging van de bijstandsuitkering met 100% voor één maand wegens onvoldoende medewerking.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9573

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser en

[eiseres] ,eiseres, uit [woonplaats] , tezamen eisers
(gemachtigde: mr. J. Berkouwer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).

Inleiding

1. Met een besluit van 10 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college eisers een maatregel opgelegd. Deze maatregel houdt in dat gedurende één maand (juli 2025) de bijstandsuitkering in de zin van de Participatiewet (Pw) met 100% is verlaagd.
1.1.
Met een besluit van 21 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de juridische grondslag, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de opgelegde maatregel in stand gelaten.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eisers hebben op 27 maart 2026 nadere stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, F. Sergent (tolk), de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college terecht aan eisers een maatregel heeft opgelegd waarbij de bijstand is verlaagd voor één maand met 100%. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Wettelijke grondslag
3. Op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Pw in verbinding met artikel 18, vierde lid, onder h, van de Pw wordt bij het niet-nakomen van de verplichting tot het meewerken aan een aangeboden voorziening tot arbeidsinschakeling, de bijstand met 100% verlaagd. De duur van de verlaging met 100% is vervolgens neergelegd in artikel 8 van Pro de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam (de verordening), te weten één maand. De beroepsgrond dat de maatregel geen wettelijke basis heeft, slaagt daarom niet.
Onvoldoende meegewerkt aan aangeboden voorziening?
4. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat het re-integratietraject dat aan eiser is opgelegd niet passend was gezien zijn medische omstandigheden, zijn taalniveau, zijn opleidingsniveau en zijn werkervaring, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat op grond van de Pw eiser de verplichting heeft om zich in te spannen om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Daarnaast is met eisers besproken dat het helpend is, in het kader van de procedure die eiseres bij de IND heeft lopen, dat eiser de afstand tot de arbeidsmarkt verkleint om zo sneller werk te vinden. Met een werkcoach is een traject ‘Samen Sterk Naar Werk’ gestart bij Werkshop. De bemiddelingsfase is de laatste fase van het traject en heeft een duur van 9 weken (3 maart tot en met 3 mei 2025).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht mogen concluderen dat eiser zich onvoldoende meewerkend heeft opgesteld aan de aangeboden voorziening. Eiser is van de 9 weken, zonder toestemming, in maart 2025 (de tweede week van de bemiddelingsfase) twee weken naar het buitenland geweest. Als gevolg hiervan heeft hij de afspraak van
18 maart 2025 met zijn werkcoach afgezegd. Na terugkomst uit het buitenland heeft eiser op 7 en 10 april 2025 twee gesprekken gehad. In deze gespreken heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij vooral werk wil zoeken dat aansluit op zijn voorervaring en dat hij daarom Nederlands wenst te leren. Deze opstelling is niet in lijn met de gemaakte afspraken en met het doel van het bemiddelingstraject. Het was nu juist het doel van de aangeboden voorziening dat eiser zich breder ging oriënteren op de arbeidsmarkt. De beroepsgrond dat de aangeboden voorziening niet aansloot bij zijn opleidingsniveau en werkervaring, slaagt daarom niet.
4.1.
Vervolgens heeft eiser zich op 15 april 2025 ziekgemeld. Aan eiser is gevraagd om medische gegevens aan te leveren omdat eiser heeft aangegeven bepaalde werkzaamheden niet te kunnen uitvoeren. Omdat eiser dit niet heeft gedaan, heeft de werkcoach eiser aangemeld voor een medische beoordeling op 28 april 2025 bij Team SMA van de GGD Rotterdam. Eiser heeft deze afspraak weer afgezegd. Evenmin heeft eiser gegevens, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, van zijn huisarts of medische behandelaars overgelegd. Nu eiser zijn medische toestand niet heeft onderbouwd hoefde het college daar geen rekening mee te houden. De beroepsgrond dat door het college geen rekening is gehouden met zijn medische omstandigheden slaagt daarom niet.
4.2.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn taalniveau, oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals reeds overwogen (zie onder 4) wenst eiser vooral graag een baan te vinden binnen zijn eigen vakgebied, de diergeneeskunde. Vanwege zijn kennis van de Nederlandse taal en zijn niet in Nederland geaccepteerde diploma’s was dit nu niet haalbaar. In het bestreden besluit is gemotiveerd dat het halen van Nederlands op niveau B2 nodig is om een opleiding op mbo 4 niveau te kunnen volgen. Zoals reeds overwogen was de doelstelling van de aangeboden voorziening dat eiser zich breder diende te oriënteren om zo een te baan te vinden. Niet is gebleken dat het hebben van Nederlands op niveau B2 op zich noodzakelijk was voor het doorlopen van de individuele gesprekken in het kader van het bemiddelingstraject. Uit de stukken is ook niet gebleken dat eiser de aan de bijstandsuitkering gestelde eisen, vanwege bijvoorbeeld taalproblemen, niet begreep. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.
4.3.
Gezien het voorgaande heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, terecht mogen concluderen dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan de aangeboden voorziening. Het college was daarom gehouden de bijstandsuitkering te verlagen.
Eerst een waarschuwing?
4.4.
Voor zover eisers naar voren hebben gebracht dat aan eiser eerst een waarschuwing opgelegd had moeten worden, oordeelt de rechtbank als volgt. Noch de Pw, noch de verordening schrijft voor dat in een geval als dit eerst een waarschuwing moet worden gegeven. De rechtbank acht dit beleid, waarin niet eerst een waarschuwing wordt gegeven, maar direct tot verlaging wordt overgegaan, ook niet onredelijk. Doel van een maatregel is immers dat iemand zijn gedrag verandert. [1] Overigens is eiser in het gesprek van 13 maart 2025 ook gewezen op het feit dat als de aangeboden voorziening beëindigd zou worden dit gevolgen voor zijn uitkering zou hebben. In wat eisers hebben aangevoerd hoefde het college naar het oordeel van de rechtbank geen dringende redenen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de Pw, te zien op grond waarvan het college diende af te zien van het opleggen van een maatregel.
4.5.
De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat er geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding of onvoldoende motivering van het bestreden besluit. Evenmin ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid van eiser.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding tot een vergoeding van de proceskosten van eisers. Ook krijgen zij hun griffierecht niet terug.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1897.