Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5119

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
12131318 HA VERZ 26-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 onder e BWArt. 7:670a lid 1 BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie

STILL Intern Transport B.V. verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een magazijnmedewerker die sinds 1985 in dienst is. De reden is dat de werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt, ondanks loonopschorting en loonstopzetting. De werknemer verschijnt niet op de zitting en reageert niet inhoudelijk op het verzoek.

De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding op grond van verwijtbaar handelen of nalaten. De werknemer heeft zich structureel onttrokken aan contact met de werkgever en bedrijfsarts sinds zijn laatste ziekmelding in 2025. Het UWV kon geen deskundigenoordeel geven vanwege het ontbreken van contact. Herplaatsing binnen een redelijke termijn is niet mogelijk.

Er geldt geen opzegverbod omdat de werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2026 zonder rekening te houden met opzegtermijn vanwege ernstig verwijtbaar handelen. De werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten van € 960,72, die direct uitvoerbaar zijn verklaard.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2026 wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 12131318 HA VERZ 26-23
datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
STILL Intern Transport B.V.,
vestigingsplaats: Hendrik Ido Ambacht,
verzoekster,
gemachtigde: mr. C.P. Kuijer,
tegen
[verweerder] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘STILL’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van STILL (ontvangen op 6 maart 2026), met bijlagen;
  • het oproepingsexploot van 27 maart 2026.
1.2.
[verweerder] heeft op 26 maart 2026 gevraagd om de zitting te verplaatsen. Hij heeft een advocaat gevonden, maar die gaat pas aan het werk als [verweerder] heeft betaald. Dat kan hij op dit moment echter nog niet. De kantonrechter heeft het uitstelverzoek afgewezen, omdat [verweerder] voldoende tijd heeft gekregen om rechtsbijstand te vinden en hij ook zelf het woord kan voeren op de zitting.
1.3.
Op 15 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Namens STILL waren de heer [naam] ( [functie] ) en de gemachtigde daarbij aanwezig. [verweerder] is niet op de zitting verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verweerder] is vanaf 1 mei 1985 bij STILL in dienst. De functie van [verweerder] is magazijnmedewerker met een salaris van € 3.768,84 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.
2.2.
STILL verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, omdat volgens haar sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond). [verweerder] komt volgens STILL namelijk zijn re-integratieverplichtingen niet na, ook niet na loonopschorting en een loonstop. [verweerder] heeft niet inhoudelijk op het verzoek gereageerd.
De uitkomst
2.3.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2026. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
2.4.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Er is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor opzegging en er geldt geen opzegverbod (artikel 7:671b lid 2 BW).
Er is een redelijke grond
2.5.
Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). STILL stelt dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder Pro e BW). De kantonrechter vindt dat sprake is van deze redelijke grond. Uit het dossier volgt dat er een lange voorgeschiedenis is van problemen rondom ziekmeldingen en afwezigheid van [verweerder] . Vanaf 2005 hebben de partijen daarover meerdere gesprekken met elkaar gevoerd en heeft [verweerder] diverse officiële waarschuwingen gekregen. Na zijn laatste ziekmelding in het najaar van 2025 onttrekt [verweerder] zich
structureel aan contact met STILL en de bedrijfsarts. STILL heeft het loon van [verweerder] met ingang van 22 november 2025 opgeschort. Nadat [verweerder] op 17 december 2025 niet bij de bedrijfsarts is verschenen, heeft STILL de loondoorbetaling vervolgens stopgezet. Ook dit was voor [verweerder] geen reden om contact met STILL op te nemen. STILL heeft aan het UWV gevraagd om een deskundigenoordeel over de re-integratieinspanningen van [verweerder] . Het UWV kon dat echter niet doen, omdat ook zij niet in contact met [verweerder] konden komen. Door steeds onbereikbaar te zijn en niet in gesprek te willen gaan, weigert [verweerder] om medewerking te verlenen aan zijn herstel en re-integratie. Dit acht de kantonrechter zodanig verwijtbaar dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
[verweerder] kan niet worden herplaatst
2.6.
Voor ontbinding is verder vereist dat [verweerder] niet binnen een redelijke termijn kan worden herplaatst in een andere passende functie (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). Omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] ligt het niet voor de hand dat [verweerder] kan worden herplaatst.
Er geldt geen opzegverbod
2.7.
Nog een vereiste voor ontbinding is dat er geen opzegverbod geldt waardoor ontbinding niet is toegestaan. Aan die eis is ook voldaan. Er geldt namelijk geen opzegverbod, omdat [verweerder] ondanks aanmaning en loonstopzetting zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen (artikel 7:670a lid 1 BW).
De arbeidsovereenkomst eindigt op 1 mei 2026
2.8.
Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 mei 2026 (artikel 7:671b lid 9 BW). Daarbij is geen rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van de procedure, omdat sprake is van ernstige verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
[verweerder] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen en in deze procedure ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerder] aan STILL moet betalen op € 100,72 aan explootkosten, € 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 960,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Deze beschikking wordt, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2026;
3.2.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, die aan de kant van STILL worden begroot op € 960,72.
3.3.
verklaart deze beschikking, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
43416