Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5201

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/7834
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5 Bijlage I Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende toepassing hardheidsclausule

Eiseres, een alleenstaande moeder van twee jonge kinderen, werd door haar ex-partner de toegang tot de gemeenschappelijke woning ontzegd en raakte daardoor dakloos. Zij vroeg een urgentieverklaring aan op grond van de urgentiegrond 'geweld en bedreiging', welke door het college werd afgewezen omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan en een beroep op de hardheidsclausule niet slaagde.

Na afwijzing van het bezwaar door het college, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank oordeelde dat het college in redelijkheid geen toepassing hoefde te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank stelde vast dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij geen vaste verblijfplaats had, aangezien zij hoofdzakelijk bij haar moeder verbleef en slechts kort elders verbleef om haar moeder te ontlasten.

De rechtbank benadrukte dat het college terughoudend is met toepassing van de hardheidsclausule vanwege de krappe woningmarkt en dat de situatie van eiseres, hoewel niet ideaal, niet zodanig schrijnend is dat voorrang op de woningmarkt gerechtvaardigd is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit van het college bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht,het college
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. De aanvraag is afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring en aan haar ook geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule toekomt. Eiseres is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 18 april 2025 (het primaire besluit) de door eiseres gevraagde urgentieverklaring afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 15 juli 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is een alleenstaande moeder van twee kinderen (geboren in 2019 en 2025). Op 1 april 2025 is haar de toegang tot de gemeenschappelijke woning door haar ex-partner ontzegd. Als gevolg van deze ontzegging is zij dakloos geraakt. Eiseres heeft op 15 mei 2025 een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’.
3.1.
Het college heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen omdat niet aan de voorwaarden voor urgentie op grond van de urgentiecategorie wordt voldaan. Een beroep op de hardheidsclausule komt haar niet toe. Daarom heeft het college de aanvraag afgewezen.
3.2.
Eiseres heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt. Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden voor de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. De politie heeft verklaard dat de situatie van eiseres geen situatie is van geweld en bedreiging. Verder heeft het college overwogen dat hoewel de situatie van eiseres verre van ideaal is, er geen aanleiding is om de hardheidsclausule toe te passen. Op basis van de door eiseres aangeleverde informatie is niet duidelijk geworden in welke mate zij bij welke vrienden of familieleden verblijft. Uit de informatie ontstaat de indruk dat zij voornamelijk in de woning van haar moeder verblijft en dat zij dit af en toe afwisselt met korte verblijven bij andere familieleden en vrienden om haar moeder te ontzien. Op basis daarvan heeft het college gemeend dat geen sprake is van een schrijnende situatie.

Beroep van eiseres

4. Eiseres voert aan dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat zij niet aan de voorwaarden voor de hardheidsclausule voldoet
.Zij stelt daartoe dat het college aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen in haar woonsituatie. Haar ex-partner heeft haar de toegang tot de gemeenschappelijke woning ontzegd en zij heeft de zorg over kinderen van zeven en van één jaar oud. De emotionele impact van de plotselinge dakloosheid behoort te leiden tot toepassing van de hardheidsclausule. Zij kan niet permanent bij haar moeder verblijven waardoor zij een zwervend bestaan leidt.

Juridisch kader

5. Op grond van artikel 2.5. van Bijlage I bij de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verordening) kan het college een urgentieaanvraag toekennen indien strikte toepassing van de Verordening zou leiden tot weigering van de urgentieaanvraag, maar weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule en daarmee de aanvraag mocht afwijzen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de situatie van eiseres verre van ideaal is voor haar en in het bijzonder voor haar twee kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college echter geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat hij de hardheidsclausule alleen toepast in zeer uitzonderlijke gevallen en dat de hardheidsclausule een uitzondering is op de uitzondering. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] (de Afdeling) volgt dat het college bij het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule beoordelingsruimte heeft. Het college maakt vanwege een zeer krappe (sociale huur)woningmarkt in de regio Rijnmond terughoudend gebruik van de hardheidsclausule. Met eiseres zijn er immers nog heel veel andere mensen op zoek naar een woning. Om deze reden is een strikte toepassing van de hardheidsregeling niet onredelijk. [2] Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat het aan de aanvrager is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen, die maken dat de weigering van de urgentieverklaring in zijn geval leidt tot een schrijnende situatie.
6.2.
Eiseres heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk gemaakt in welke mate zij bij verschillende vrienden en familie verbleef. Reeds in het bestreden besluit heeft het college gemotiveerd dat eiseres weliswaar heeft aangevoerd dat zij geen vaste slaapplek heeft, maar dat uit de aangeleverde informatie de indruk ontstond dat zij voornamelijk in de woning van haar moeder verbleef. Alleen om haar moeder te ontlasten verbleef zij kort elders bij vrienden of familie. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het wijkteam in Barendrecht het dossier van eiseres heeft gesloten omdat zij zelf had aangegeven bij haar moeder te verblijven. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat haar moeder haar de toegang tot de woning niet wilde ontzeggen en dat zij een maand bij haar moeder verbleef en dan weer kort elders om vervolgens weer een maand bij haar moeder te verblijven. Hieruit lijkt te volgen dat het beeld dat het college had van de woonsituatie van eiseres klopte. Het had op de weg van eiseres gelegen om, voor zover dit anders was, nader te onderbouwen dat zij slecht één of enkele nachten op één adres kon verblijven en daarna weer diende te verhuizen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat in dat geval mogelijk wel sprake geweest had kunnen zijn van een succesvol beroep op de hardheidsclausule, juist ook omdat eiseres zeer jonge kinderen heeft. Nu eiseres niet heeft onderbouwd dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats had en het college op basis van de verkregen informatie de indruk had dat zij hoofdzakelijk bij haar moeder verbleef, was er geen sprake van dreigende dakloosheid. Het gezin woonde bij elkaar en er was geen dreiging dat zij van elkaar gescheiden zouden worden. De woonsituatie van eiseres is niet ideaal, maar niet uniek in Rotterdam en niet van dergelijke aard dat direct voorrang moet worden verleend op de woningmarkt. Het besluit van het college is daarom niet onredelijk bezwarend voor eiseres en het college heeft zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen door te overwegen dat zij zich in een stabielere woonsituatie bevinden dan wanneer zij elke dag op een andere locatie zou moeten slapen. Het beroep van eiseres slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college dat eiseres geen urgentieverklaring krijgt, in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:616.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2815.
3.Vergelijk eveneens de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:616.